De bundel ‘Dertien bij Zeven’ – 91 LichtGedichten verschijnt in 2019. 
 

PESSIMISME KUN JE KOPEN 
 
Zocht naar krachtvoer voor mijn smachtende geest.
Stad en land ben ik daarvoor af geweest.
Winkels waren er weken al doorheen,
gelukkig had bol punt com er nog een.
Uit Weemoedt las ik toen verzen,
alleen,
in een half uur was ik er al doorheen.
 * * *
 
DICHTKLIMAAT 
 
Regen noch drup raakt nog grond,
een traan voedt geen bodem meer.
Weemoedt en zijn kompanen,
ondanks balsem van chagrijn,
rotten in het hardste zeer
van schraal verdorde aarde,
op begraafplaats Dorrestijn.
* * *
 
TUKKERS’ TOL 
 
Rustig en bedaard, is des Tukkers aard,
niet vies van het fust, noch schuchter met wijn.
Dat zuipen is hem half zijn lever waard
om levenslang nuchter te kunnen zijn.
* * *
 
HET WOORD 
 
In den beginne was het woord bij god
en het woord was god.
Nu is het hier, op flinterdun papier.
Voer voor de goeien,
vloei voor de kwaaien,
om levenslang sjekkies van te draaien.
* * *
 
WEERFETISJ 
 
Doen we het weer? Ze draait zich op haar zij
en richt haar gigantische gat op mij.
Na winden van bruine bonen en ui
volgt een lauwwarme rooie bieten bui.
* * *
 
VERLOPEN 
 
Zie, het stadhuis komt binnengeschreden,
ene dame, licht van lijf en zeden.
Trok ooit menig man zo van het trottoir
in haar gepimpte roodroze boudoir.
De tijd tast toe, laat rondingen eroderen,
doch heimwee knaagt, naar het zalig exploiteren.
Een lustrum lang is ze uit de running,
toch vraagt ze een nieuwe ventvergunning.
* * *
 
CRYPTOMENTIE 
 
In cryptogrammen ben ik echt een kei,
vind het antwoord in elke zinnenbrij.
Daar bij de zusters heb ik het geleerd.
In het tehuis, waar vader dementeert
wordt wirwartaal kundig gedecodeerd.
Blijft geen geheim, liefdevol noch vilein,
bewaard in zijn oplos gerichte brein.
* * *
 
VINGERVOEDSEL 
 
Ben van bestek, ik haat vette jatten,
vooral van spek en Vlaamse patatten.
Kaas loopt uit tosti’s, als pus uit puistje,
heilige hosties, nooit uit het vuistje.
Is die hand niet net naar’t toilet gegaan,
heeft daar een grote boodschap bijgestaan?
En zag die nadien nog zeep en een kraan?
Niets blijft ongezien, want wat ruik ik hier,
haute cuisine? Nee, vinger door het papier.
* * *
 
BRIEVENBUS
 
Wat toch kan de brievenbus ons leren,
meer nog dan de brieven die passeren?
Een ruige borstel of een veer van staal,
een kille kale, een vingergrijper,
een openstaande voor het vrij onthaal,
een scherpe schrale met kootjesknijper. 
Gleuf bedekt, ingepakt door rag van spin,
blijft onbevlekt, daar glijdt nooit meer iets in.
* * *
 
DOODDILEMMA 
 
Het is het dilemma van zes planken,
hoe mijn lijk verantwoord af te danken.
Weinig vegetarisch klinkt begraven,
weiger wormen zich aan mij te laven.
Mijn milieu is fel anti cremeren
en dat ik als fijnstof weer zal keren.
Het zeemansgraf is nat, geeft weinig troep,
tenzij ik aanspoel in de plastic soep.
Dus: stuk worst in mijn reet, is wat ik zeg,
dan sleept een roedel honden me wel weg.
* * *

 
© Robert Beernink 2018