Solo                                                                                                                                                                               
 
‘Ik heet Bo.’
‘Ik ook!’
Als onzekere pubers staan we op het kurkdroge hete strandzand, op een kruispunt van natte voetafdrukken. Het moet een raar gezicht zijn: twee blote volwassenen beleefd handenschuddend en elkaar intussen met besmuikte blikken en geheime gedachten betastend. Tot een vloeiend gesprek komt het niet, de verbale interactie beperkt zich tot basale klanken. Woorden kunnen meer verhullen dan kleren. Het moment dat de lauwe branding van de oceaan onze voeten bereikt, hebben de lenteferomonen hun taak volbracht en verenigen we ons in een beschutte duinpan. Extatische oerkreten galmen alsmaar luider en vaker vanuit dit amfitheater van wellust de weidse wereld in. Voor ze daar arriveren, worden ze echter geabsorbeerd door de opzwepende ritmes en klanken van een passerende showband. We laten ons meeslepen, zoals de blazers koper en riet in beweging brengen, slagwerkers de drumstokken en majorettes hun slungelige lijven. Tot en met de grote, alles in langdurig vibrato zettende finale. Dan koelen we af naar het adagio. Gevoelige vingers strelen nu de ventielen, kwasten het slagvel en danseressen de batons. Het wegebbende geluid laaft onze zondvloed van passie naar naspel.
  We kleden ons alleen aan om naar het hotel te wandelen waar we allebei verblijven. Na een decente klop en een verlangend ja reikt een hand aan een om de deur gebogen arm de bestelde Veuve Clicquot Brut Magnum aan. Hier kennen ze de waarde van discretie. Badwater en champagne bubbelend om het hardst, leggen het kansloos af tegen Bo en mij. Onze hunkering naar elkaar overstijgt die van een uitgebreid diner.
  ‘Het voorgerecht’, zegt Bo en wenkt uitnodigend vanuit de kokende tobbe.
  ‘Een entree’, zeg ik.
  Op een kippenvel veroorzakende tochtvlaag vanaf een kierend raam dringt geroezemoes tot ons door. Op de stoep staat een menigte drie rijen dik. Wij kijken vanuit de hoogte toe, nieuwsgierig naar wat komen gaat. We wachten niet, hebben honger te stillen. Nog voor we in het kingsize waterbed plonzen, bruist prikkelende New Orleans Jazz naar binnen, als opmaat naar een open doekje en een staande ovatie. We buigen en geven ons over aan The Big Easy.
  Ondanks wat fysieke ongemakken veroorzaakt door de inspannende hartstochtelijke nacht, blader ik de volgende morgen al vroeg langs de toeristische pagina´s van deze village d´amour. Om de tijd te doden. Bo is stijve ledematen los aan het zwemmen. Les plages naturistes ken ik al en de andere bezienswaardigheden heb ik, voor ik kans zag deze te bezoeken, ingeruild voor mijn naamgenoot. Ik ga het ook niet meer doen, want geen berg zo hoog, meer zo blauw of historisch artefact zo oud, zal mij in dezelfde mate kunnen grijpen en in vervoering brengen. Zelfs geen muziekfestival, dat er overigens niet is. Dat verbaast me enigszins, want in mijn hoofd resoneren alweer de warmbloedige klankkleuren die mij zo ophitsen. Waar komen die nu ineens vandaan? Ik hoor ze als ik aan Bo denk, besef ik. Zodra ik me kort concentreer op de onuitputtelijke lijst van plaatselijke brocantes, is het stil in mijn kop. Merkwaardig! Dus dirigeer ik Bo weer voor mijn geestesoog en raak vrijwel direct opgewonden als een speeldoos met een sleutel. Waar blijft Bo? Ik … ik wil … ik wil nu … De muziek speelt op de gang en wordt luider. Het zal toch niet. Ik durf de deur niet te openen en leg mijn oor er tegenaan. Ze zijn heel dichtbij. De tambour-maître slaat af. Stilte. Een roffel op de deur. Niet droog, eerder vragend, smekend. Ik laat mijn ochtendjas op de grond vallen en draai de knop om. Daar staat Bo. Verder niets of niemand. Desondanks barst de muziek in alle toonaarden van emotionele hevigheid los.
Metronoom en tijd tikken ondertussen genadeloos door.
De laatste avond. Het strand is praktisch leeg. Ik ben alleen. Muziek klinkt niet meer. De danseressen verkopen hun lichaam, blazers blowen zich high en de trommelaars slaan flanerende feestgangers in elkaar. Samen met Bo en de stille trom is de liefde vertrokken. De zon gaat onder maar lijkt niet te durven zakken in de zee en kruipt weer omhoog. Ik sta op. Mijn langgerekte schaduw reikt tot aan de waterlijn. Ik kan mijn oren en ogen niet geloven. Bastonen brommen vanuit de diepte, Bo duikt op en waadt, een enorm muziekinstrument torsend, door het water naar me toe.
  ‘Bo, je bent er nog!’
  ‘Ik kan nooit weg, Bo. Het orkest is verdronken, de harmonie vergaan tot de basisnoten van deze sousafoon, de reddingbrengende periscoop. Om te kunnen blijven ademen en de juiste toon te zetten voor ons duet.’              
 
 
© 2018 R.Th.M. Beernink 
 
Solo’ werd geschreven voor een serie korte verhalen welke verschijnen in de AmbiFlits, de maandelijkse periodiek voor auteurs en team van Ambilicious Uitgever. De schrijver heeft zich hierbij laten inspireren door een illustratie van Stijn Felix. Dit verhaal werd gepubliceerd in de AmbiFlits van 1 juli 2018.