DE AANZEGGER- door Robert Beernink 


Afgelegen zijn ze, de uitgestrekte streken met hier en daar een huis, door de vooruitgang niet gezien of overgeslagen. Veelal wonen er boeren, die met de opbrengst van het ene seizoen maar net het volgende kunnen halen. Of niet. Naar de verste plek­ken lopen geen wegen, slechts karrensporen of een kronkelpad. De bewoners van die vlekken worden maar zelden bezocht, op een enkele nijvere handelsman of ijverige geeste­lijke na, en ze gaan er niet vandaan.
  Diep in het veen staan de armoe­digste huisjes. Kleine bouwsels van hout en klei, bevolkt door grote gezinnen, vaak met groot­ouders en de niet uitge­huwelijkte familieleden. Behalve het veen, bewerken ze een klein stukje land dat hen van oogst naar oogst moet voeren. Een enkel varken, een koe of geit voor spek en melk. En altijd schapen voor de wol. Ploeteren is het, van 's morgens vroeg tot diep in de nacht, generatie na generatie.
  Toch is het niet ongeorganiseerd. Informele gemeenschappen, be­staande uit groepen van afzonderlijke huizen of families zijn door de oude wetten van de nabuurhulp met elkaar verbonden. Het is de leidraad waar­langs de mensen leven. Die oude en bijna mystieke regels zijn vast verankerd in de geest van de bewoners die zo ver weg leven van de rest van de wereld. Ze worden in de genen vererfd en houden de gemeenschappen in stand.
  De regels begeleiden de drie belangrijkste momenten in het leven: geboorte, huwelijk en dood. Voor deze mensen zijn geboorte en dood de grenzen van een bestaan waarvan de belang­rijkste invulling is het voort­brengen van nieuw leven. Het huwelijk is daarvoor de existentialistische meta­foor. Zonder nieuw leven komt er geen ondersteuning voor de ouderen in hun zwakke laatste jaren. Nieuw leven betekent arbeids­kracht op de zware lemen akkers van het bestaan.
  De wetten van de nabuurhulp zijn even simpel als doelmatig. Bij elk van die drie levensmomenten wordt door tevoren aangewezen, vaak historisch bepaalde, buren onvoorwaardelijk hulp verleend om die momenten zo goed als moge­lijk te doorstaan. Bij geboorte de hulp aan de moeder en het kind. Bij huwelijk de begeleiding van het paar en het organi­seren van het feest. En bij de dood het verspreiden van het droeve nieuws onder de bewoners van de buurtschap, de verzor­ging van het dode lichaam tot en met de teraardebestel­ling en het bijstaan van de naaste familie.
  In dit veen leven zo'n twin­tig families met bij­zondere namen en bijna­men die verwijzen naar vroegere bewoners of gebeurtenis­sen. De echte namen kent men vaak niet. Aan de rand van de buurtschap ligt het Veen­huis. Op die plek is in een ver verle­den de ontginning van het veen begonnen. Nu wonen daar Jan van het Veen­huis, zijn vrouw Maike van het Veenhuis en hun kinde­ren, alle­maal Van het Veenhuizen. Ze heet­ten echter eigen­lijk Zwagersma. Iets verder woont Driek van de Pijp met zijn ouders en kinderen. Die benaming "Pijp" heeft waarschijn­lijk betrekking op een ooit aanwezige schoorsteen of een zwaar rokende bewoner uit het verleden. De echte naam, Vrieskes, is allang verge­ten. Galgendirk is een sinistere bijnaam voor een fami­lie die op of bij een plek woont waar ooit executies met de strop werden voltrok­ken. Willem en Henna Galgendirk hebben hun echte naam, Westervlier, voor het laatst bij hun huwelijk gehoord. En dat is lang geleden.  
 
De Aanzegger is geen naam voor een fami­lie. Het is de benaming voor een man die al sinds vele jaren alleen woont in een bouwvallige hut van gestapelde turf. De Aanzegger is niet graag gezien in de gemeenschap. Hij is de gevreesde boodschapper van sterven en begraven, een nabuurplicht die de man al sinds mensenheugenis heeft. Door een onverklaarbaar lot is hij door alle mensen in het veen voor die speciale plichten aange­zocht.  
  Zodra De Aanzegger verschijnt, wordt het stil in de huizen. Hij brengt uitsluitend droe­vig nieuws, bestaande uit een naam en een datum. Meer niet. De naam van de overlede­ne en de datum van de begrafenis. Zijn stem is altijd plech­tig met altijd dezelfde intonatie. Sedert mensenheugenis is dat al zo. De verschijning van De Aanzegger is even tijdloos als onontkoombaar. Niemand kan weglopen voor de wetten van het leven. Wie geboren wordt, zal sterven. En wie erin slaagt te trouwen en kinderen te verwekken mag feest vieren. Als De Aanzegger komt is er geen feest. Zijn resoneren­de stem blijft in de hoofden van de mensen lang doorklinken. Het maakt ze intens bewust van het droevige feit en drukt ze onverbiddelijk op de naakte feiten van leven en vooral dood.
  Als de knop van zijn wandelstok op de deur neer­komt, krimpen de mensen ineen. De moedigste opent de deur, kijkt in het oude, gerim­pelde gezicht van De Aanzegger en kan niets zeggen. Alleen luisteren. Zonder dat de grijze baardha­ren bewegen, klinkt die kille, als vanuit een donker verleden doorgedrongen stem: "Marie van Beken Trui, 25 okto­ber." Dan is hij weg, op weg naar het volgende huis. Op 25 oktober staat de buurt­schap om het door De Aanzegger gedolven kleine graf waarboven, gesteund door twee dwars over het gat liggende palen, de kleine lijkkist van de pasgeboren Marie staat. Haar moeder, bijgenaamd Beken Trui, vecht nog voor haar eigen leven in het kraambed. Kleine Marie verloor die strijd.
  Het leven gaat verder. Zolang er kinderen zijn die het gevecht om het leven wel winnen, gaat het door. In de kern is het leven in de gemeenschap heel geordend. Wanorde kennen de bewoners niet. Luxe is er niet en voor andere zaken dan het gevecht voor het bestaan is geen tijd. Er is alleen tijd tussen geboorte en dood en die tijd is nodig om de beide gebeurtenissen zo lang mogelijk uit elkaar te houden. Alles is normaal, alle dagen, maanden, jaren en eeuwen.  
 
Tot die dag.  
 
Twee dagen na de begrafenis van kleine Marie verschijnt De Aanzegger weer aan de deuren. "Truus Doolaert, 1 november." Nog kouder dan voorheen is de adem die De Aanzegger bij het noemen van die naam en datum uitstoot. Toch is er iets vreemds. De schrik van zijn bijna angstaanjagende verschijning verandert in de huizen al gauw in verwondering. Wie is Truus Doolaert? Niemand kan die naam thuisbrengen. Is er misschien een nieuwe buurtgenoot bij gekomen? Eigenlijk onmogelijk. Wie komt naar zo'n armoedig oord om de armoede onder nog meer mensen te verdelen? Toch klinkt uit de mond van De Aan­zegger bij elk huis even duidelijk als huiveringwekkend de­zelfde naam en datum: "Truus Doolaert, 1 november."
  Het is Oude Galgendirk, ofwel Dirk Galgendirk, de stokoude vader van Willem Galgendirk die zich na lang nadenken herin­nert dat Beken Trui eigenlijk Truus Doolaert heet. Het nieuws gaat snel rond in het veen. Enerzijds de droefheid omtrent de dood van Beken Trui, die uiteindelijk de strijd in het kraam­bed ook verloor en anderzijds de verwondering dat De Aanzegger de eigenlijke naam van de overledene gebruikt. Tijdens de korte plechtigheid rond het graf is uiteindelijk alleen maar plaats voor verdriet en niet meer voor verwondering.  
 
Maar dat verandert. 
 
De winter valt in met een snerpend koude vorstaanval rond half november. De gestapelde turfblokken en de kieren tussen het hout laten de ijskoude huilende wind gewillig langs zich heen gaan en dwars door de verder onbeschutte woninkjes gieren. Binnen een week is de grond keihard bevroren en zijn de mensen meesttijds binnen, verzameld rond een klein vuur. Allemaal hebben ze het koud, koud tot op het bot, koud tot in de dood.
  Plaggen Toon, die tot de oudste bewoners van het veen behoort, sterft na anderhalve week van honger en bittere kou. De Aanzegger gaat rond in zijn gebruike­lijke lange jas, onder een zwarte vilten hoed met een witbevroren baard. De gure weersomstandigheden lijken hem niet te deren. De holle klop op de deur. De snijdende wind en de killer dan kilste stem die de huizen binnenwaait: "Toon Baflo, 28 november." Huis na huis. Uren loopt De Aanzegger met zijn boodschap door het bevroren veen. Op 28 november staan de mensen rond de kist van Plaggen Toon, ofwel Toon Baflo, boven een keurig graf gegraven: een meter tachtig lang, ruim een kist breed en twee meter diep.
  Enkele aanwezi­gen ontdekken pas tijdens de korte plechtigheid wie Toon Baflo was en anderen verwonderen zich over dat gapende gat daar voor hen. Het graf met strak afgestoken wanden waarin precies te zien is hoe diep de vorst in de grond zit. Wie heeft in vredesnaam onder deze omstandigheden een dergelijk werk kunnen verrichten? Die oude Aanzegger? Hoe dan, in die keiharde grond? Of wie anders? De Aanzegger delft al sinds jaar en dag de graven dus waarom deze niet? Voor de winter graaft hij er altijd minstens vijf extra, om de vorst voor te zijn. Nu is de vorst hem voor geweest.
  De verwondering over dat verse gat in de grond blijft hangen onder de mensen. Ze kunnen het niet verklaren. Vragen stellen aan De Aanzegger gebeurt niet. Dat durfde niemand. Het ontzag dat De Aanzegger geniet is bij velen doorgeslagen naar een onpeilbaar diepe angst. Kinderen schieten weg als hij komt. Ouderen slaan hun ogen neer. Een onheilspellend gevoel bekruipt de bewoners van het veen vaker en vaker als De Aanzegger verschijnt.  
 
En het wordt nog vreemder.  
 
Zelf woont De Aanzegger het diepst in het veen. Tegen de grens aan. ’s Morgens om zes uur vertrekt hij met zijn onheilstijdingen, langs de schamele onderkomens, tot aan de boerenhoeve aan de andere kant van het veen. Van daar keert hij terug, om na nog eens zes uur lopen weer in zijn huisje te zijn.
  Zover het volksgeheugen reikt, is die boerderij een huis van plezier geweest. Het hoort niet echt tot het veen. De begroeiing die eens de bosrand achter het oude boerenhuis markeerde, is even behoedzaam als onstuitbaar dichterbij geslopen en overwoekert inmiddels het hele perceel.
  Het zou er spoken. Alleen van horen zeggen, zeggen ze, getuigt de lokale bevolking van angstaanjagende verschijnselen in het nu lege, zwarte karkas van net zo dikke als lichte zandsteen: spontaan knipperende lampen, onverklaarbare geluiden van een piepend bed in een lege kamer of een vage schim die merkbaar maar onvoelbaar langs schiet. Hoewel de uitbater, op verzoek van de bijgelovige gastvrouwen, reinigende rituelen toestond, blijven onzichtbare handen aan hun korte rokjes trekken en draaien gesloten deuren langzaam en krakend open zonder dat er iemand achter staat.
  De vreemde voorvallen begonnen zes jaar geleden na een, dacht men, vergissing van De Aanzegger. Iets na de middag klopte hij op de deur van de boerderij vol vrijzinnige vrouwelijke have en sprak zoals hij altijd deed, met sonore stem: ‘Johan Baptist, 22 maart.’
  De boerderijbaas hoorde het aan, ging schouderophalend naar binnen en mompelde: ‘Jammer, weer een klant minder.’
  ‘Wie bedoel je’, vroeg een dame van Rubensachtige proporties in de nagenoeg naakte wachtrij voor klandizie.‘
  Johan Baptist.’
  ‘Wat? Johan? Hoe kan dat nou? Hij zit met Nikkie in bad!’
  ‘Nikkie zit op het toilet’, zei een blonde rondborstige Duitse. ‘Daar is ze.’ Nikkie liep met een handdoek om haar knokige lichaam geslagen door de keuzekamer.
  ‘Waar is Johan?’
  ‘Nog boven, aankleden.’ Nikkie stommelde de trap op, naar een door blauwe en gele lampjes flauw verlichte kamer. Johan lag bloot, op zijn dikke buik in bad. Het water was nog warm, maar zijn lichaam al koud.
  Het stoffelijke omhulsel van Johan Baptist verliet het huis van gespeeld genot gestrekt en, discreet, aan de achterzijde. Hij vertrok echter maar half. De vrouwen bleven Johans aanwezigheid ervaren.
  ‘Johan weet nog niet dat hij dood is’, zuchtte Nikkie, treurend om de gedachtenis aan haar vaste klant.
  ‘Hij gaat pas als jij ook weg bent’, meende de praktische pronte Duitse. ‘Jij houdt hem hier gevangen in je emotie.’
  ‘We moeten hem verjagen’, fluisterde de even voluptueuze als angstige donker getinte, schichtig om zich heen kijkend, bang dat Johan haar zou horen. Ze besprenkelde alle ruimtes met een vloeistof van jasmijnbloesem, gemalen amandelen, reukwater, wijwater aangelengd met priesterpis en rum en hing uitheemse lelies boven de buitendeuren. Volgens de voodoo traditie uit haar land, was dit afdoende om zelfs een lankmoedige geest tot vertrek te bewegen. Johan bleef.
  Een jaar later, op dezelfde dag net na de noen, vatte de voordeur van de bordeelboerderij vlam en het pand brandde helemaal af. Nadat het zeldzaam felle en verzengende vuur met veel moeite was geblust, werden vier verkoolde lijken gevonden. Ze lagen in een gat in de verbrande grond. In een drooggekookt bad.
  Dit verhaal gaat in deze eindeloze winter ook weer rond in de bedompte huisjes waar de mensen warmte zoeken. Diep in februa­ri is er even een korte periode waarin de kou wat afneemt. De ijzige lucht trekt zich terug op de Noordpool, wordt daar tot kouder dan koud afgekoeld om dan door gierende winden nog een keer zijn weg te zoeken naar het veen­land en het nog een keer te bevriezen. In maart. Zover is het nog niet. De week met aangenamer temperaturen brengt de mensen weer naar buiten. Ze bekijken de schade aan land en huis en gaan rond om te zien hoe de buurtbewoners het maken. Er heerste opluchting onder de mensen nu het zware juk van de koude even iets is verlicht. Kinderen spelen en dansen, de ouderen zijn blij dat ze het hebben gered en de mannen en vrouwen praten vrolijk over het voorjaar.  
 
Totdat De Aanzegger zijn ronde doet.  
 
Als altijd klinkt de holle klop op de deur en de dode stem: "Jan Vriezema, 29 februari." Het wordt stil in het veen. Weer een dierbare verloren. Jan Vriezema was Jan van het Veenhuis, weet binnen een paar uur ieder­een. De oude Dirk Galgendirk kwam ermee. Galgendirks en Veenhuizens zijn verre familie van elkaar. De boodschap van De Aan­zegger stemt oude Dirk droevig. Jan was een aardige man die met hard werken zijn gezin goed had kunnen onderhouden. De volgende dag, na een nacht zonder slaap, wordt vroeg in de morgen geklopt. De oude Dirk sloft naar de deur, opent deze en door zijn vermoeide oogleden ziet hij ... n­ee, dat kan niet. Dirk spert zijn ogen ver open ... dat kan niet! Voor hem staat Jan van het Veenhuis met een vette haas onder zijn arm. Dirk hapt naar adem. De emotie slaat op zijn lichaam en van schrik en ontzetting begeeft zijn hartspier het. Dirk valt dood neer op de drempel van zijn eigen huis. Intussen doet De Aanzegger al zijn ronde: "Dirk Galgendirk, 1 maart." De winter heeft zijn tol geëist. Op 29 februari staat de hele gemeenschap om het graf van Jan van het Veenhuis. Een dag later wordt onder dezelfde belangstel­ling de oude Dirk Galgen­dirk aan de aarde terug gegeven tezamen met een onverklaarbaar geheim.
  In maart, op het koudst van de winter, is het veen uitgestorven. Het is zo koud dat sommige families bij elkaar intrekken om door de warmte van veel lichamen in een kleine ruimte die koude door te komen. Gekleed in de dikste jassen en truien, gemaakt van schapenwol, schuieren ze tegen elkaar aan. De groten vertellen de kinde­ren sprookjes en elkaar de oude verhalen uit het veen. In het huisje van Biggen Dries is het druk. Vijftien personen kruipen bij elkaar om de warmte van hun lichamen, de primaire en ultieme warmte­bron, de basis van een leven te delen. Als die warmte wegvalt, volgt alleen de dood.
  Hol klinkt de klop op de deur. Alle vijftien zijn ze stil. Ze weten wie er voor de deur staat. De rijzige, zwart geklede Aanzegger die zich van weer noch wind wat aantrekt en zijn droevige taak onverzettelijk volbrengt. Biggen Dries opent zelf de deur. De kou neemt in een windvlaag bezit van de eenkamerhut. Vijftien paar ogen kijken groot en bang naar het gezicht van De Aanzegger. Dat gezicht heeft geen uitdrukking. Het is leeg, grauw, bijna doods. Maar het spreekt: "Wilmkje Spruit, 20 maart." De deur valt dicht en het blijft koud. Men kijkt elkaar aan. Wie is ... Dries kijkt zijn familie en alle gasten één voor één aan. Van links naar rechts en van rechts naar links tot ... Tot zijn ontzetting ziet hij de vrouw van Hendrik Pieper met grote verslagen ogen en haar handen voor de mond slaan. De vrouw van Hendrik Pieper, gewoonlijk alleen bekend als Vrouw Pieper, heet ... Wilmkje!!
  De vrouw snakt naar adem en kan geen klank voortbrengen uit haar door schrik verlamde keel. De situatie dringt langzaam ook tot Hendrik Pieper door. In tegenstelling tot zijn vrouw begint hij te vloeken en te tieren op De Aanzegger, die gek, de zot, opsluiten moesten ze hem ... Maar of het nu die stille vrouw of die tierende man is, ze zijn beiden bezeten door dezelfde emotie: radeloze en redeloze angst. Het wordt stil in het gastvrije huisje van Biggen Dries.
  Na de schrik komt de ontsteltenis en dan langzaamaan de bevrijding. Het huisje wordt verwarmd door blije, bijna vrolijke mensen die lachen en zingen. Alle veer­tien, want in dat gedruis van vele lichamen in die kleine hut is in een hoekje, ongezien en ongemerkt, Wilmkje Spruit, ofwel Vrouw Pieper, stil gestorven. Nooit was het kouder in de harten van de mensen als zij drie dagen later bij haar graf in de bevroren grond staan. De Aanzegger heeft zijn plicht ge­daan. Maar hij was te vroeg! Hoe kan dat? Iedereen vraagt het zich af, niemand weet het antwoord en niemand vraagt het hardop.
 
Voorjaar. Langzaam verschijnen de eerste knoppen en de natuur wordt weer groen, zoals altijd. Het leven keert weer na de jaarlijkse grote rust. Ook in het veen, waar de winter zo onstuimig is verlopen. Betreurd worden de doden en gevierd wordt het nieuwe leven. Per saldo is de gemeen­schap gegroeid. De Aanzegger blijft lang in zijn huisje dat zo diep weg verstopt ligt in het veen. Niemand komt daar. Niemand. Zelfs geen handelsman of geestelijke. Niemand heeft er iets te zoeken. Niemand durft.
  Op een warme lentedag gaat De Aanzegger met zijn plechtige manier van lopen de huizen weer langs. Hij lijkt veranderd. Zijn tred is lichter dan anders. De klop op de deur is kort, ferm en zacht, zijn gezicht meer ontspannen en zijn stem hoger van toon, bijna vriendelijk. De boodschap is echter dezelfde: een naam en een datum: "Van Helshoorn, 6 juni." Alleen een achternaam. Iedereen vraagt zich af wie die Van Helshoorn is. De ouderen in de gemeen­schap die die namen en bijnamen kenden, zijn dood. Niemand weet het. In elk huisje worden alle andere huisjes in gedachten tevergeefs langs gegaan.
  Op die zesde juni zijn alle bewoners van het veen verzameld rond een doodskist boven een vers gegraven graf. De Aanzegger staat, zoals gebruikelijk, aan het hoofdeinde van de kist en laat de ceremonie van de teraardebestelling voor zich voltrekken. Zoals gebruikelijk is hij al vertrokken in de richting van zijn huis als de loodzware lijkkist door vier sterke mannen zwijgend in het graf wordt neergelaten. Twee anderen beginnen de berg zwarte aarde naast het gat weer terug in het graf te scheppen. Intussen kijken de belangstellenden om zich heen, onderzoekend, tellend ... Niemand wordt gemist.
  Verbazing verbreekt de stilte. De mensen praten door elkaar heen, over een en hetzelfde onderwerp: wie hebben wij net begraven? Een van de mannen roept dat ze het De Aanzegger moeten vragen. Eerst stilte, dan instemming.
  Aan het eind van de dag gaan de mannen op weg, naar waar het huisje van De Aanzegger moet zijn. Om verhaal te halen. Om het af te maken. Ze vinden alleen een zwartgeblakerde uitholling in de bosbodem. Half in de grond steekt een verweerd houten bordje. Een van de mannen wrijft het met zijn handen schoon. Ontsteld doet hij een stap terug als hij de zwarte letters heeft gelezen: "Van Helshoorn". Verder niets. En niemand. Geen getuigen, geen verhaal. Behalve in de geest van horen zeggen. Of lezen …   
 
 
© R.Th.M. Beernink