DE KOOI – door Nicole Smit-Schilder en Robert Beernink  
 
Hij ziet het stel passeren. De vrouw, oranjeblond, kortgerokt, ongeveer twintig. De man, een onguur type, shagje in de mondhoek, simpele kleding, rond de veertig. En een jongetje. Een mollige krullenbol in tuinpak, huppend langs en voor het stel uit. De man negeert het joch. De vrouw kijkt ongelukkig. Ze zijn sinds kort zijn nieuwe buren.
  Ze lopen door het smalle gangetje tussen de huizenrijen die met de achterkant naar elkaar toe staan. De verzakte poort schuurt over de scheve tegels. Dat hoort Fred nog, als hij de trap oploopt om zijn mail te checken. De computer roept hem met verschillende pings, die steeds indringender lijken te klinken, naar boven. De werkkamer kijkt uit op de achtertuin. Niets ongewoons tussen de mails. De advocaat van zijn bijna ex-vrouw blijft maar zaniken om een handtekening op het convenant. Fred doet niets. Hij staart naar buiten en ziet hoe de buurman zijn schuurtje op slot draait, met een ferme ruk aan de kruk controleert of hij dicht is en naar binnen gaat. Daarna verlegt Fred zijn blik en staart een tijdje naar de horizon. Tot hij het bed aan de andere kant van de muur ritmisch hoort piepen en kraken. Zij wel, godverdomme, denkt hij en zet een koptelefoon op. Hij wil het niet horen. 
 
Rond middernacht schrikt hij wakker. De koptelefoon is half van zijn hoofd gegleden. Hij spitst zijn oren. Er klinkt een raar zwiepend geluid. Het geluid is het beste te vergelijken met harde zweepslagen. Bevreemd schieten zijn wenkbrauwen omhoog. Wat voor de duvel is er aan de hand bij de buren. Hij hoort een laag jankend geloei. Is dat een hond? Fred krabt zich achter zijn oor.
  Het is donker in de kamer en niemand kan hem van buiten zien, toch staat Fred op om de gordijnen dicht te trekken. De kleine achtertuinen worden alleen aangeschenen door een heldere maancirkel. Hij ziet beweging bij de buren. Zou die jongen nog buiten … Nee, het is de jongen niet. Fred ziet de licht oranje gloed van het haar van de buurvrouw. Ze wankelt in de richting van het schuurtje. Dronken of gedrogeerd, vermoedt Fred. Ondanks de duisternis steekt haar witte lichaam fel af tegen de donkere schuurdeur. Ze goddomme naakt, op een onderbroekje na. Een rood puntje licht even op: ze neemt een trek van haar sigaret. In de andere hand heeft ze een sleutel en met veel moeite lukt het haar de deur te openen en naar binnen te glippen. Ondertussen blijven de vreemde geluiden in het huis naast hem waardoor Fred wakker werd, onverminderd hoorbaar. Wat moet hij doen? Moet hij iets doen?
  Struikelend over een rondslingerende pantoffel zoekt hij zijn weg naar beneden. Soepel duwt hij de klink van de achterdeur omlaag. Met bonkend hart probeert hij geruisloos een goed plekje te vinden om zijn buren beter te kunnen bespieden. De tuinlamp is stuk. Hij moet hem zo snel mogelijk repareren. Liefst morgen. Als er een morgen is tenminste. Buiten adem neemt hij stelling achter een kleine haag coniferen. De overbuurman heeft ze laatst keurig bijgesnoeid. Achter hem beweegt een zwart figuurtje. De kat van nummer zestien. Zie je, dat beest schijt dus wel in zijn tuin! Bij zijn nieuwe buren schijnt het licht volop. De schuurdeur is zo te zien open. Hij doet een grote pas opzij. Hij schuifelt dichter naar de schuurdeur om wat te kunnen zien. Dan slaat hij een hand voor zijn mond.
  Fred kan niet goed bevatten wat hij ziet. Het dringt niet tot hem door. In een soort kooi, zit zijn buurvrouw angstig naar hem te kijken. De make-up rond haar rood doorlopen ogen en diepe wallen is uitgelopen. Met haar beide handen grijpt ze zich vast aan de dikke stalen spijlen. Ze hijgt alleen maar. Praat niet. De adem schuurt door haar keel. Ze is helemaal naakt. Als een roofdier beweegt ze haar hoofd heen en weer, daarbij Fred niet uit het oog verliezend. Fred aarzelt, weet niet wat hij moet doen.
  ‘Wat …?’ Hij voelt een krachtige arm om zijn hals en ruikt alcohol en zweet. En iets wat hij niet kan thuisbrengen. De vrouw kruipt naar de kleine deur in de kooi, toont Fred vol minachting haar kont en doet haar behoefte. Als ze buiten de kooi is, blijft ze onderdanig op de grond zitten en Fred wordt met brute kracht door het smalle deurtje geduwd, waardoor overal op zijn armen en benen schaafplekken ontstaan. De man blijft Fred stevig vasthouden, trekt hem door de poep en pies van de vrouw en klikt zijn arm vast in een handboei, achter in de kooi. Ze gunnen hem geen blik. Fred is zichzelf niet meer, apathisch door de indringende gebeurtenissen. De man bevestigt een hondenriem aan een tepelpiercing van de vrouw.
  ‘Kom!’ zegt hij alleen maar. Zijn witte T-shirt zit vol rode vegen.
  ‘Waar moet de jongen dan blijven?’
  ‘Daar waar hij nu is. Hij kan nergens naartoe!’ Gedienstig volgt de vrouw de man. De schuurdeur valt dicht en wordt op slot gedraaid. Fred is opgesloten. 
 
Een pantoffel. Dat is alles. Ze komt verhaal halen, maar hij doet niet open. Met de huissleutel, die ze in elk geval achterhoudt totdat het convenant is getekend, kan ze naar binnen. Na een korte blik in de huiskamer gaat ze naar boven.
  ‘Fred?’
  In huis blijft het stil. Doodstil, denkt ze en huivert. Als ze in de werkkamer is, ziet ze hem liggen in de tuin van de buren. De aanvankelijke ergernis die langzaamaan was uitgegroeid naar haat, komt ineens weer boven. Ze trilt, net als toen. Wat had ze de pest aan een kerel met pantoffels aan. Wat een softie! Wat een lulletje rozenwater! Hij was er vol trots mee thuisgekomen en had daarmee, op de keper beschouwd, het einde van hun huwelijk ingeluid. Hier is niemand. Ze gaat naar beneden, naar buiten en pakt de pantoffel op. Ook het huis van de buren lijkt verlaten te zijn. Ze kijkt door het groezelige raam en ziet niets. Ook niet dat ze van achteren wordt benaderd. Ze is verlamd van schrik als ze een krachtige hand op haar tengere schouder voelt.
  Ze schreeuwt het uit.
  'Rustig maar, rustig maar,' zegt de achterbuurman. 'Ik ben het maar. Wat doe jij hier?'
  Helen schudt het lange golvende haar naar achteren en doet een pas opzij. 'Ik woonde hier, dus een reden om hier te komen heb ik niet nodig,' bijt ze hem toe. 'En ik ben op zoek naar die lapzwans. Heb jij hem ergens gezien?' Ze kijkt zoekend om zich heen.
  De buurman neemt geamuseerd een sigaret uit zijn jaszak. 'Je mag best wat vriendelijker doen, Helen. We hebben toch aardig wat fijne uurtjes beleefd samen. ' Hij kijkt veelbetekenend naar haar borsten. 'Ik neem aan dat je met 'die lapzwans ' je lieve man bedoelt?' Hij neemt een diepe haal van zijn peuk en lacht spottend. 'Gezien heb ik hem niet. Maar ik wil best helpen zoeken.'
  ‘Het is alweer een paar weken geleden dat mijn advocaat hem heeft gesommeerd het convenant te ondertekenen, maar meneer geeft boe noch bah.’ Ze is samen met de achterbuurman Freds huis binnengegaan.
  ‘Je bent dus nog niet gescheiden, Helen?’
  ‘Net of jou dat wat interesseert, Sip!’ Ze lachen beiden en Helen gaat voorop naar boven.
  ‘Dit heb ik altijd al een keer willen doen!’ Op de overloop knoopt ze haar regenjas open en laat die op de grond vallen. Een beha, jarretelgordel, zwarte kousen en rode pumps. Verder niets.
  ‘Wist je dat ik er zou zijn?’
  ‘Gehoopt, Sip. Kom, naar de werkkamer!’ Ze loopt snel de kamer in als Sip net probeert haar beha open te krijgen. Het bandje schiet uit zijn vingers en kletst op Helens rug.
  ‘Mm, kom op timmermannetje.’ Ze sleurt Sip mee naar de werkkamer en veegt met een arm het bureau leeg. ‘Ga liggen! Mammie wil even zitten.’ Helen ziet dat Sip opgewonden is en knijpt kort maar krachtig in zijn kruis en hij gehoorzaamt zonder morren. Nog voordat Sip zijn hoofd goed of wel op het groene vloeiblad heeft gelegd, ziet hij een been van Helen over hem heen gaan en zij begraaft zijn gezicht diep in haar warme kruis. ‘Aan het werk, potloodventer.’
  Het kalende hoofd van Sip gaat schokkend heen en weer tussen de dijen van Helen en hij wordt alsmaar roder van opwinding en inspanning.
  ‘Dat kan godverdomme beter, Sip. Kom op!’ Helen buigt iets voorover om hem wat meer ruimte te geven en kijkt met een vluchtige blik naar buiten. ‘Daar zijn ze! Kom! Kom!’ En dat doet ze.
  ‘Tjonge Helen,' hijgt Sip. Zijn hoofd is paars aangelopen. Helen gaf hem nauwelijks ruimte, dat kreng. Er is beweging buiten. Een kerel met blote armen banjert door de tuin. Hij kijkt van links naar rechts over zijn schouder en vervolgt zijn weg alsof hij wat te verbergen heeft. Sip wil juist op haar kruipen maar Helen duwt hem geërgerd terug.
  'Wie is die vent?' wil ze weten. 'Hij bevalt mij niks.'
  Sip volgt haar blik. Haalt de schouders op. 'Dat is niemand. De nieuwe buurman,' antwoordt hij onwillig en kneedt een warme borst met zijn vingers.
  'Ik wil poolshoogte nemen,' zegt ze en duwt zijn vingers weg.
  'Jeetje, wat ben jij een saai burgertrutje aan het worden, Helen,' sputtert Sip tegen, maar hij volgt haar toch maar naar beneden. Aan de muur in de hal hangt een hertenkop. Lelijk ding. Past totaal niet bij Fred. Toch is het vreemd. Saaie Fred die zomaar verdwijnt. Eigenaardig. 
 
Sip is weerloos en willoos. Zijn onvoltooide liefdesspel teistert zijn ballen en hij volgt Helen, weer gekleed in haar regenjas, naar buiten, naar de buren. Helen klopt op de achterdeur en legt haar oor op het raam.
  ‘Kijk, de …’ fluistert Sip in haar andere oor.
  ‘Kop dicht!’ Sip heeft gezien dat de schuurdeur op een kier staat. De achterdeur gaat langzaam open en een pluk oranje haar komt tevoorschijn. Helen wendt haar gezicht af. Ze kan de geur die haar neus penetreert niet thuisbrengen, maar haar maag draait zich in een keer om. De inhoud bereikt haar keel, maar met een vertrokken gezicht kan ze de zure brandende gal weer inslikken. Het is de scherpe reuk van sperma, vermengd met de dikke lucht van wiet. Verder is het een potpourri van stank. Een jonge vrouw buigt haar hoofd om de deur kijkt haar aan. Ze lijkt geschrokken. Ontzet. Helen ademt nog een keer diep door en zet aan om te gaan praten als ze achter haar een schreeuw hoort. Ze kijkt om.
  Sip staat in het deurgat van de schuur en kijkt met uitpuilende ogen naar binnen. ‘Dat is toch …!’
  Helen volgt zijn blik. Achter haar staat het meelijwekkende oranjeblonde wezen te zwaaien op haar benen. ‘Kijk!’ hoort ze Sip schreeuwen met overslaande stem. ‘Wat is hier allemaal aan de hand?’ Helen draait zich verder naar de schuur achter in de tuin en wankelt er angstig naartoe. Het IS ook niets voor Fred om zomaar van de aardbodem te verdwijnen. Dat had ze toch moeten weten. Natuurlijk is hem iets ergs overkomen. Ze ziet hem half hangend in de kooi. De strak gespannen huid ziet bruin. De ogen star. Haar adem stokt. Ze kan haar ogen nauwelijks geloven. Haar brave Fred opgesloten in een kooi.
  ‘Hij is dood,’ zegt Sip. Hij kijkt rond in de kleine schuur. De lijkenlucht maakt hem onpasselijk. ‘Hier zijn enge spelletjes gespeeld.’
  Helen slikt. ‘Waar zou die man zitten? Die met de enge uitstraling?’ Ze rilt.
  Sip verzamelt al zijn moed om niet meteen de benen te nemen. ‘Zullen we de politie bellen?’ Hij huivert.
  Helen wendt zich af en werpt een blik op het huis. ‘Daar binnen is het ook niet pluis.’ Ze doet een stap naar achteren en botst op iets hards.
  Helen slaakt een ijzige gil. Wat is dat? Of beter gezegd: wie is dat? Iemand knelt een harige arm om haar nek, zo hard dat ze bijna niet kan ademen. Ze ziet Sip. Zijn gezicht is vertrokken van schrik en angst. ‘Kom niet dichterbij,’ schreeuwt haar belager achter haar. De man heeft een mes. Ze voelt het koude staal tegen haar keel. Schreeuwen kan ze niet, noch bewegen. ‘Wat motten jullie hier, vuile pottenkijkers?’ gromt het monster achter Helen. Sip staat trillend naar hen te kijken. Het ziet ernaar uit dat hij de benen wil nemen. Het monster merkt het ook, want hij drukt het lemmet harder tegen Helens keel. ‘Waag het eens om te ontsnappen,’ grauwt de man. Sip staat stil. ‘ Jullie hebben hem daar gezien. Of niet?!’ Sip knikt lichtjes. ‘ Dat dacht ik wel. Onverstandig. Heel dom.’ Hij geeft een ruk aan Helens haar en trekt haar mee.
  ‘Jij gaat ook mee. Anders snij ik haar de strot af!’ roept de man. Hij drukt het vlijmscherpe mes met nog meer kracht tegen haar halsslagader.
  ‘Oké. Oké.’ Sip praat rustig en loopt op met de man die Helen in zijn macht heeft. Willekeurige en onbeheerste stuiptrekkingen in zijn armen verraden echter dat hij bang is. Doodsbang. Ze schuifelen gedrieën het huis binnen. Helen kokhalst want de stank is niet te harden. Op het fornuis staan pannen met vettige groene smurrie op de bodem waaraan ongedierte zich tegoed doet. De jonge vrouw komt uit de kamer lopen en moet overgeven. Ze botst tegen de deur naar de hal, waarna ze een vuilnisbak vol beschimmelde pizzadozen omver stoot. Een dikke rat met een lange harige staart en een rood omrande bek komt vanonder de vuilnisbak vandaan en zoekt een vluchtweg. Intussen heeft de vrouw een broodmes uit een la gegraaid en gaat dreigend tegenover de man staan.
  ‘Ik kan niet meer. Ik moet wat hebben, ik moet, ik moet …’ De man grijpt haar arm en duwt de vrouw, ondanks het felle verzet, naar de grond waar ze in haar eigen braaksel ligt te kronkelen. ‘Ik heb pijn … Ik heb zo’n pijn, godverdomme …!’
  ‘Kop dicht! Straks zal ik wat halen. Ik moet eerst met deze twee afrekenen.’
  ‘Wat heb je nodig?’ De serene stem van Helen werkt rustgevend. ‘Coke, weed, speed?’
  ‘Heb jij wat dan?’ ‘Ik niet, maar Fred …’
  ‘Waar? Waar is het? Zeg het, of ik ram dit mes in je kut!’ Vanaf de grond maakt ze met het lange mes wilde steekbewegingen.
  ‘In de hal. Fred bewaart het altijd in de hertenkop die daar …’ De leugen is overtuigend genoeg. In een fractie van een seconde snijdt de vrouw met het gekartelde mes in de arm van de man, schiet overeind en rent de achterdeur uit. De man schreeuwt van pijn en valt tegen de half openstaande deur naar de hal die hard tegen de koelkast smakt. Van boven horen ze hartverscheurend huilen. Van een kind.  
 
Sip staat als versteend in de smerige huiskamer. De man bloedt hevig. ‘Die trut heeft mijn slagader geraakt, ‘ kreunt hij, ‘ ik bloed dood.’ Het huilen van het kind boven houdt aan. Het stemmetje klinkt zwak.
  ‘Er zit een kind daarboven,’ zegt Helen, de bloedende man negerend.
  ‘Moeten wij niet weg hier?’ Vraagt Sip, zijn stem klinkt gespannen. ‘Straks komt dat mens terug. En ze heeft een mes!’
  Helen staat twijfelend stil. Dan draait ze zich om en loopt naar de trap. ‘Ik kan dat kind niet laten liggen daar, doe jij vooral wat je goeddunkt!’ Kokhalzend loopt ze naar boven. Overal op de trap liggen opgedroogde uitwerpselen. De stank boven is zo mogelijk nog heftiger dan beneden. Sip komt aarzelend achter haar aan, zo nu en dan een schuwe blik om zich heen werpend. Ze volgen het geluid van het huilende kind. De schorre stem klinkt vanachter de smoezelige deur van de achterkamer. Helen opent de deur. Ze slaat een hand voor de mond. Er ligt een klein hoopje mens. Sterk vermagerd en vastgebonden aan de stijlen van zijn bed. Overal ligt bloed, plas en vuil. Het kind kijkt haar aan. De grote bruine ogen zijn dof en leeg.
  Helen huilt als Sip 112 belt. Het arme schaap ligt in alleen een bevuild onderbroekje met armen en benen vastgebonden aan de spijlen van de veel te kleine wieg. Als Helen hem van de strak aangetrokken touwen bevrijdt en optilt uit de kooi, komt haar een afgrijselijke walm tegemoet. Het jongetje krijst het uit.
  ‘Vraag snel een ambulance, hij is gewond!’ commandeert ze Sip voordat ze de peuter liefdevol aan haar borst drukt. Overal op het uitgemergelde lichaampje zijn schaafwonden en blauwe plekken te zien. Helen wil weg uit die hel. Ze houdt het kind stevig vast als ze de trap afloopt. Sip volgt haar op de voet. In het halletje weifelt ze even: waar naartoe? Sip gaat voorop de kamer in. Helen volgt. Achter haar hoort ze het geluid van slepende voeten over de grond. Ze draait zich om en staat oog in oog met de nog altijd bloedende man. Hij is helemaal rood.
  ‘Vuil kutwijf! Hij leunt met zijn schouder tegen het kozijn van de keukendeur. Met een laatste krachtsinspanning maakt hij aanstalten om met het mes uit te halen naar Helen. Sip rent naar voren om hem tegen te houden, maar het komt niet tot een stoot. De man richt zich ineens op en slaakt een kreet terwijl het bloed nu uit zijn mond en neus spuit. Dan zakt hij in elkaar. Achter hem staat de jonge vrouw met het oranje haar te giechelen. Ze heeft het broodmes tot aan het heft in de rug van de man gestoken. ‘Goeie tip, van die hertenkop. Wist niet dat Fred ook gebruikte!’ Helen is overdonderd door wat zich afspeelt in de kamer en in haar hoofd. Al dat bloed, de laatste stuiptrekkingen van de man, het mishandelde kind. En Fred. Saaie Fred. Drugsgebruiker? Ze kan het niet geloven. Nooit heeft ze hem op buitensporigheden kunnen betrappen. Sip kijkt haar vragend aan.
  ‘Ik zei echt zomaar wat,’ schokschoudert ze.  
 
In de smerige woning wemelt het van politiemensen en artsen. Mannen met rode hesjes spannen roodwitte afzetlinten voor en achter het huis.
  ‘Kunt u een verklaring afleggen?’ vraagt een rechercheur die zich voorstelt als Pieter Grien. De dode man ligt nog achter hen en wordt onderzocht. Het jochie vertrekt met de ambulance, samen met de jonge vrouw.
  ‘Is dat zijn moeder?’ wil Grien weten. ‘We krijgen er geen zinnig woord uit.’ Helen weet het niet, Sip evenmin. Bij de kleine schuur is het een komen en gaan van mannen in witte pakken. Helen rilt. 
  ‘Daar ligt mijn man. Fred.’ De rechercheur leidt ze naar buiten. Overal staat pers. Lichten flitsen en microfoons worden onder hun neus geduwd. Grien schermt hen vakkundig af van al het tumult. Sip stapt in de rode politiewagen en Helen gaat naast hem zitten. Ze zwijgen. Beiden hebben zo hun eigen gedachten.
  ‘Die Fred,’ mompelt Sip. Helen kijkt uit het raam. Bomen, huizenrijen en landerijen schieten voorbij. Dan draait ze zich met een ruk naar Sip toe.
  ‘Weet je wat ik me net bedenk?’ Sip kijkt haar vragend aan. ‘Fred is dood.’
  ‘Ja?’
  ‘Dan is het huis nu van mij.’ Helen pakt Sips hand en knipoogt. Schalks.  
 
 
© N. Smit-Schilder en R.Th.M. Beernink