OOM KEES - door Robert Beernink  
 
Begin mei liet zich van zijn beste kant zien. Ze waren vertrokken om een uur of negen in een kille ochtendnevel en nu, na een kleine twee uur rijden, liepen ze met hun zonnebrillen op de receptie van hun hotel binnen. Ze hadden kalm aan gedaan. Cor wist dat zijn moeder niet van gejakker op snelwegen hield. Eenmaal de stad uit, hadden ze alleen maar over binnenwegen gereden. Met de snelheid van toeristen, want dat waren ze. In zekere zin.
  Ze hadden tijd. Moeder was dan wel vijfentachtig, maar leek er met het oplopen van de jaren steeds meer van te bezitten. Er was haar inmiddels heel wat afgenomen, overwoog Cor, toen ze stonden te wachten achter een uitcheckende gast. Veel dierbaren waren weggevallen en de eerste herinneringen begonnen ook al te vervagen, te beginnen met de laatste, de meest recente. Cor dacht dat ze dat zelf in de gaten had gekregen en was niet verbaasd geweest toen ze hem had gevraagd haar mee te nemen, op zoek te naar een achteraf gelegen herinnering. Voordat ook die opgelost zou worden in de avondmist.
  ‘Gaat u maar even zitten’, zei de vriendelijke jongedame achter de desk. ‘Ik kom zo bij u.’
  ‘Dank u’, zei Cor en nam plaats in een oorfauteuil, naast zijn moeder. De oude vrouw keek om zich heen, zoekend, maar leek geen herkenningspunten te vinden.  
 
‘Ik kan wel staan, hoor!’De receptioniste was bij hen aangeschoven. ‘Ik ben nog hartstikke vief!’
  ‘Dat kan ik wel zien, mevrouw! Maar ik wil graag zelf even zitten.’
  ‘Dat kan ik me voorstellen!’ lachte de oude dame. ‘Van de hele dag gezeur aan je hoofd, krijg je zware benen! Vertel mij wat: ik ben mijn leven lang lerares geweest!’ Ze tuurde naar het naambordje op de revers.
  ‘Nou Dorien, ik ben Anna en dit is mijn zoon Cor!’ Ze gaven elkaar hartelijk de hand.
  ‘We vinden het fijn dat u gast bent in ons hotel. Is dit uw eerste bezoek aan Twente?’ Anna keek haar even aan, zei niets en langzaam verdween haar blik vanuit de hotelreceptie naar een dimensie die alleen voor haar zichtbaar was. 
 
‘Zullen we naar het terras aan de andere kant van het hotel verhuizen?’ vroeg Cor. ‘Ik denk dat we daar meer beschut zitten.’
  ‘Waar komt die wind vandaan?’ vroeg zijn moeder.
  ‘Van de kant van Hengelo.’
  ‘Is dat ook de kant van Oldenzaal?’ Cor oriënteerde zich even.
  ‘Dat denk ik wel, ja.’ Anna stond op. Vergeleken met Cor was ze een klein mensje, maar met een elegante uitstraling. Ze liep statig rechtop, hoofd omhoog maar met de neus naar voren, waardoor ze groter en sterker leek dan ze was. Cor had daar bewondering voor en vooral haar broze kracht kon hem ontroeren. Dorien had Anna nog gecomplimenteerd met haar lange grijze haar. Zouden meer vrouwen moeten doen, had ze gezegd, lang haar dragen.
  In plaats van naar de ingang van het hotel, liep Anna de andere kant op, naar de straat. ‘Dat is richting De Lutte, niet?’ Ze wees naar links.
  ‘Ja, daar zijn we vandaan gekomen’, antwoordde haar zoon.
  ‘Dan lopen we een eindje die kant op.’
 
‘Kijk eens, wat mooi.’ Anna wees naar het glooiende groene landschap dat zich voor hen uitstrekte. ‘Daar is hij neergekomen. Iets achter die boerderij.’ Ze keek omhoog en volgde met haar hoofd de baan van de landing. ‘Flight Sergeant Harold St. John.’ Cor had het verhaal al vele malen gehoord, maar hij had deze plek nog nooit gezien.
  ‘Het is net Engeland hier’, zei hij. ‘Het landschap, bedoel ik.’
  ‘Dat vond Harold ook. Daarom is hij teruggekomen.’ Anna stond even te denken. ‘Hij kwam van Hannover.’ Ze wees naar achteren. ‘Daar vandaan. Totdat de Messerschmitts hem te pakken kregen.’
  ‘Ze hebben hem niet te pakken gekregen, ma.’
  ‘Nee, daar heb je gelijk in. Hij was er net op tijd uit. Zijn kameraden…’ Anna zweeg en keek weer naar de hemel. Naar de onzichtbare sterren. 
 
Ze praatten niet tijdens de wandeling terug naar het hotel. Ze liepen achter elkaar. Cor zag dat zijn moeder niet erg op de weg lette. Soms stapte ze per ongeluk met haar linkervoet in de berm, schrok dan even op en ging wat verder van de kant van de weg af lopen, maar een paar meter verder waren haar gedachten alweer vertrokken op een historische reis.
  ‘Kun je je de omgeving nog herinneren?’ Ze zaten tegenover elkaar te dineren. Anna was na hun terugkomst in het hotel naar haar kamer gegaan om te rusten. Cor had dorst gekregen en de bar opgezocht voor een koel biertje. Daarna was ook hij naar zijn kamer gegaan. Zon, wind en bier deden hun werk: hij ging op bed liggen en viel snel in slaap. Door zacht kloppen op de deur werd hij wakker. Anna vroeg of hij meeging eten.
  ‘Het landschap herken ik nog wel’, zei Anna. ‘Maar ik was elf toen ik hiernaartoe werd gebracht. Het is nu een andere wereld voor mij.’
  ‘En waar je gewoond hebt dan? Weet je waar dat is?’
  ‘Dat waren verschillende plekken. Maar we waren meestal in huis. En na de bevrijding werden we al snel weer opgehaald.’ Daarna gaf ze de volle aandacht aan haar bord, om te genieten van de lokale culinaire lekkernijen. 
 
De volgende ochtend gingen ze rond tien uur op pad, zonder een echt plan. Cor dacht dat ze tijdens een rit door de omgeving misschien herkenningspunten zouden tegenkomen die een connectie met het geheugen van zijn moeder konden maken. Ze kwamen niet ver. Een klein stukje op weg richting Beuningen sloegen ze rechtsaf, de Lutterzandweg in en reden over een bruggetje.
  ‘Hier rechts!’ gebood Anna. ‘Dit ken ik.’ Cor gehoorzaamde onmiddellijk en parkeerde de auto. Ze liepen over een zandpad totdat ze bij een riviertje met een klein zandstrand kwamen. ‘De Dinkel’, zei Anna met een lach. ‘Dit is het Lutterzand. Hier ben ik vaak geweest met oom Kees en tante Dien. Van de zon genieten, pootje baden, dagdromen…’ Ze ging in het zand zitten en keek naar het stromende water. ‘Dat waren prachtige uren.’
  ‘Was dat wel veilig?’
  ‘Hier kwamen veel mensen, ook Duitsers met hun gezinnen. En NSB’ers en andere landverraders. Dat was in het begin wel eng.’
  ‘Wist je welk risico je liep?’
  ‘Toen ik kwam, was ik elf, Cor. Maar beslist niet gek!’ Ze ging languit liggen. ‘En oom Kees had mij Twents geleerd. Of iets dat erop leek. Dan viel je niet zo op.’ Ze sloot haar ogen. ‘De mooiste herinneringen liggen altijd aan het water.’  
 
‘Was vader hier ook wel eens?’
  ‘Nee, dat was veel te gevaarlijk. Harold kon geen Twents leren. Die Britse tongval zat muurvast verankerd in zijn stiff upper lip. Hij is vanaf november 1944 bijna niet meer buiten geweest.’
  ‘Wat een opgave! Hoe kwam hij bij jullie terecht?’
  ‘Ze hebben zijn parachute zien neerkomen. Eerst dachten ze dat het een verkeerd afgeworpen pakket voor de ondergrondse was. Maar ze vonden een piloot. Het was niet ver van waar ik toen woonde. Oom Kees en tante Dien met nog een paar mensen hebben hem opgehaald uit het veld en meegenomen naar huis. En hij is gebleven.’
  ‘Was je meteen verliefd op hem?’
  ‘Ik was toen veertien, Cor, bijna vijftien.’
  ‘Niet, dus.’
  ‘Ja, natuurlijk wel! Hij was een knappe en avontuurlijke kerel. Een held! Het was weliswaar oorlog, maar daar trekken dromen zich niets van aan!’
  ‘En was hij ook verliefd op jou?’
  ‘Dat weet ik niet. Harold was every inch an Englishman. Liet geen gevoelens blijken.’
  ‘Toch is hij je later gaan schrijven. Vijf jaar lang! De wortel daarvoor zal toch in het huis van oom Kees hebben gelegen.’
  ‘Ja, dat zal zo zijn. Kom, we gaan verder.’ 
 
Ze reden door naar Denekamp. Anna zei dat ze daar nog nooit was geweest.
  ‘Er is rommelmarkt’, zei ze enthousiast. Het is haar uitje, dacht Cor en gaf meteen gehoor aan de wens die in de observatie van zijn moeder besloten lag. Het bleek de uitgestelde braderie van de verregende Koningsdag te zijn. Ze sjokten met de menigte mee langs uitgestalde overbodige prullaria uit geruimde vlieringen, tijdloos speelgoed zonder batterijen of stekkers en reeksen van boeken vol knappe en stoere dokters of ridders strijdend om smachtende zusters en jonkvrouwen. Voorspelbare identieke plots met steevast een happy end. Retro is altijd modern, overwoog Cor, bladerend door een dolende dichtbundel.
  ‘Natuur is voor tevredenen of legen’, citeerde hij. Zijn moeder keek hem van opzij aan en schudde een beetje meewarig haar hoofd.
  ‘Jij bent domweg teveel stadsmens, Cor. Bent met te weinig tevreden.’ Cor wilde reageren, maar op dat moment barstte een dweilorkest, dat tot dusver alleen bier had lopen drinken, los in een oorverdovende potpourri van klanken. Het leek alsof de muzikanten allemaal verschillende notenbladen op hun instrumenten hadden geplaatst. Het deerde de hossende en lallende menigte in hun zog van tonen niet: benevelde receptoren kraken zelfs willekeurig geproduceerde noten probleemloos terug naar pakkende harmonieën. Het kwam Cor wel van pas, want hij had dan wel ingeademd om aan te zetten voor een antwoord, maar wist eigenlijk niet goed wat te zeggen. Net als Anna, had hij een enorme hekel aan geklets in de ruimte. Hij nam zijn moeder in de arm en ze slenterden in het vermoeiend trage tempo van de massa verder, richting de taptenten en patatpotten, aan de rand van het plein.
  ‘We moeten niet te laat weer richting hotel, ma.’
  ‘Ja, en? Weet je de weg niet?’
  ‘Niet uit mijn hoofd, maar met de naviga…’
  ‘Kijk, hier is een kraam van een kaartlezer. Zij kan ons wel helpen.’ Anna draaide Cor resoluut de rug toe en begon met de matig beklante jonge vrouw in een roze jurk en een soort kroonluchter op haar paarse haar te praten. ‘U leest kaarten?’
  ‘Ja, mevrouw, voor twee euro voorspel ik u de toekomst.’
  ‘O, dat komt goed uit. Hoe kom ik daar?’
  ‘Waar, mevrouw?’‘Waar ik straks moet zijn.’
  ‘Waar is dat dan, mevrouw?’
  ‘Dat weet u toch?’
  ‘Ik heb geen flauw idee, mevrouw.’ De middelbare scholiere die in de meivakantie een zakcentje probeerde bij te verdienen, zakte de moed meteen in de schoenen. Ze twijfelde sterk of ze van haar enige klant tot dusver op die dag, een financiële tegenprestatie zou ontvangen voor haar spirituele dienstverlening.
  ‘Dan betaal ik ook niet!’ zei Anna bits en begon tegen Cor te mopperen. Hij nam haar weer bij de arm en ze liepen terug naar de auto.  
 
Na de rotonde reden ze over een brug.
  ‘Wat is dat dan?’ vroeg Anna. ‘Zijn we Twente uit geweest?’
  ‘Nee, hoor’, zei Cor. Anna keek achterom.
  ‘Volgens mij wel! We zijn toch net over de Dinkel gekomen?’
  ‘Ja, en?’
  ‘Er ligt tussen Dinkel en Regge een land, Ons schone en nijvere Twente’, zong Anna, zonder nadere aankondiging. Cor schrok er een beetje van.
  ‘Wat is dat dan?’
  ‘Het Twents volkslied. Heeft oom Kees me geleerd.’
  ‘In het Nederlands?’
  ‘Ja, ze zingen het alleen maar in het Nederlands. Vond ik ook raar. Maar oom Kees zei altijd: als je het zingt, doe het dan een beetje van achter uit je mond. Vooral niet achter uit de keel, maar achter uit je mond! Dan klinkt het zoals we het hier allemaal zingen.’ Anna zuchtte. ‘Dus de tekstdichter zat er een beetje naast.’
  ‘Dichterlijke vrijheid, ma.’
  ‘Ja, dat zal. Die hadden we hier toen ook niet.’ 
 
‘Köt…, köt…, eh… köt…’ Anna tikte ritmisch met haar wijsvinger mee op het dashboard om het staccato effect te versterken. Ze keek erbij alsof ze wanhopig maar tevergeefs naar iets aan het zoeken was.
  ‘Pardon?’ zei Cor stomverbaasd en met enige stemverheffing. Korte, genitaal getinte woordjes gevormd rond een "u” behoorden niet tot het normale vocabulaire van zijn moeder. Het had wat Duits geklonken. Misschien was het Twents.
  ‘Köttelperen, dat is het!’ Opgelucht en bijna triomfantelijk keek Anna haar zoon aan.’Ik kon er niet opkomen!’
  ‘Waar heb je het over?’
  ‘Köttelperen. De bijnaam van de Denekampers.’
  ‘Is dat iets om blij mee te zijn?’
  ‘Geen idee, maar ik geloof niet dat ze er een probleem mee hebben. Hier hebben de meeste plaatsen of hun inwoners zo’n bijnaam.’ Ze passeerden de Populierendijk. Anna keek er even kort naar.
  ‘Had je daar naartoe gewild?’
  ‘Later’, zei Anna. ‘Rijd eerst maar naar Boeskoolstad.’ Cor keek haar aan.
  ‘Van gedachten veranderd?’ Anna keek hem niet begrijpend aan. ‘Help je even kijken naar een parkeerplaats? Dan kan ik de navigatie opnieuw instellen.’
  ‘Waarom dat dan? We zijn er zo.’
  ‘Volgens mij zijn we zo in Oldenzaal.’‘Ja, dat is Boeskoolstad. Oldenzaal, stad van de witte kool.’
  ‘Ik vind het maar ingewikkeld, ma. Zullen we daar koffiedrinken?’ Anna zweeg en stemde toe. Cor vond een parkeerplaats tussen een mooie grijze oude kerk en een lelijk grijs nieuw stadhuis.
  ‘Dit is de Sint Plechelmusbasiliek’, wist Anna. ‘Twaalfde eeuw. Kunnen we, als we terugkomen, wel bezoeken. Eerst even zitten.’  
 
‘De kerk in De Lutte is ook gewijd aan Sint Plechelmus. Net als nog een paar andere kerken in de regio. Rossum, Saasveld en Deurningen, als ik me niet vergis ’, zei Anna en nam een hap van haar appeltaart. ‘Lekker!’
  ‘Populaire heilige’, zei Cor, gewoontegetrouw roerend in zijn zwarte koffie. Hij had zittend werk en de suiker en melk nog niet zo lang geleden opgegeven. Hij twijfelde niet aan de kennis van zijn moeder. ‘Hebben ze in De Lutte ook een bijnaam?’
  ‘O ja’, zei Anna lachend. ‘Buk!’ Cor dook meteen ineen en Anna schrok. ‘Wat doe jij nou?’
  ‘Je zei: "buk”. Ik dacht dat er wat aan de hand was.’
  ‘Buk betekent bokken. Luttenaren zijn bokken. Althans, dat is hun bijnaam.’
  ‘Waarom is dat? Om de volksaard?’
  ‘Dat weet ik niet. Volgens mij zijn de mensen in De Lutte niet veel anders dan elders. We werden er toch heel gastvrij ontvangen?’
  ‘Ja, dat is zo. Wat waren oom Kees en tante Dien dan voor mensen?’
  ‘Tja, ik kreeg er nooit echt hoogte van. Ik was ook nog erg jong. Oom Kees was wat gemakkelijker dan tante Dien. Zij was ook een stuk ouder dan hij. Of dat leek zo door die ouderwetse kleren.’
  ‘Maar ze had dus wel een jonge vent aan de haak geslagen?’
  ‘Hoe bedoel je: jonge vent?’
  ‘Oom Kees, natuurlijk!’
  ‘Volgens mij waren ze niet getrouwd.’
  ‘Nee? Dat hoor ik voor het eerst.’
  ‘Ja, snap ik wel. Je denkt natuurlijk: oom en tante, die zullen wel bij elkaar horen. En dat straalden ze ook wel uit. Zeker in die tijd. Maar het was geen echtpaar.’
  ‘Maar in zo’n kleine gemeenschap houd je dat toch niet lang vol!’
  ‘Heb jij wel eens met boeren gepraat, Cor?’
  ‘Ja, natuurlijk wel. Maar praten zou ik dat niet willen noemen.’ Anna lachte. ‘Je moet erom lachen, maar wat heeft dat ermee te maken?’
  ‘Hoe gingen die gesprekken?’
  ‘Tja, veel vragen en weinig antwoorden. Ze willen alles weten, maar zeggen weinig.’
  ‘Hoe veilig wil je zijn?’ 
 
‘Oldenzaal is al van oudsher een katholiek bolwerk. Dat is nog terug te voeren op de Tachtigjarige Oorlog. Ze schijnen een groot saamhorigheidsgevoel te hebben en daardoor behoorlijk op zichzelf te zijn. Maar ze kunnen wel volgens katholieke traditie uitbundig en gastvrij feestvieren. Met carnaval steken ze het zuiden behoorlijk naar de kroon.’
  ‘Van mij mogen ze’, antwoordde Cor, toen hij afremde om een grote tractor de Bentheimerstraat over te laten steken. De bestuurder groette vriendelijk. Cor stak zijn hand op. ‘Dus tante Dien was geen gemakkelijk mens?’
  ‘Nee, maar dat was ze vooral voor zichzelf niet. Iedereen was een beetje bang voor haar. Zeker als ze haar zin niet kreeg. Mensen gingen zelfs aan de kant als we het dorp inliepen om wat inkopen te doen, of zo.’
  ‘Mocht je mee, dan?’
  ‘Met haar wel.’
  ‘Was oom Kees ook bang voor haar?’
  ‘Niet dat ik me kan herinneren. Vooral die laffe zwarthemden en hun meelopers meden haar als de pest.’
  ‘Hoe veilig wil je zijn?’ 
 
‘Nam oom Kees je ook wel mee naar buiten?’ Ze waren vanaf het hotel weer een stukje richting Beuningen gereden en linksaf geslagen. Het ging licht bergop en ze zagen robijnrode boerendaken tussen de heuvels in weelderig zacht lentesmaragd schitteren in het zonlicht. Cor had de auto bij een Mariakapelletje zo ver als mogelijk aan de kant gezet. Ze waren een eindje verder gewandeld en op een bankje gaan zitten.
  ‘O ja, hoor. Maar hij hield niet zo van het dorp. Hij was een natuurmens. Dit was zijn land.’ Anna keek genietend om zich heen. ’Je kunt hier urenlang lopen, zonder iemand te zien. Het is zo prachtig hier. Betoverend. En zo stil.’ Op dat moment kwam er van de Beuninger kant een groepje vijftigplussers met rode boerenzakdoeken om hun nek op Solexen aantuffen en van de Lutter kant een bierfiets vol uitgelaten mannen met rode boerenhoofden. Ter hoogte van het bankje waar Anna en Cor zaten, troffen de groepen elkaar. Ze stopten meteen en stelden zich tegenover elkaar op als legers vlak voor een veldslag. Cor begon wat ongerust te worden. Ze begonnen te gebaren en onderling te overleggen om daarna in een voor hem onverstaanbaar taaltje tegen elkaar te schreeuwen en de anderen vast te pakken. Hoe meer de groepen zich mengden, hoe hardhandiger en luidruchtiger het eraan toe ging. Cor voelde zich onbehaaglijk. Hij dacht dat ze ooggetuige zouden worden van een massale vechtpartij over het recht van doorgang.
  ‘Kom ma, we gaan!’ Hij wilde opstaan maar zag dat zijn moeder zat te lachen. ‘Wat valt er te lachen? Kom mee, voor het hier echt gezellig wordt!’
  ‘Dit ken ik’, zei ze op rustige toon. ‘Het zijn noabers, buren, die elkaar hier toevallig tegenkomen. Dat wordt inderdaad echt gezellig!’ Ondertussen hadden de Solexrijders de aanval op de bierfiets ingezet en enkele fietsers Solexen veroverd, terwijl ze elkaar op de schouder en rug bleven slaan.
  ‘Ik dacht eerst dat ze elkaar te lijf wilden gaan’, zuchtte Cor. ‘Ze gaan zo vreselijk tekeer.’ Anna lachte hardop.
  ‘Dit is nog niks. Wacht maar tot je een ploeg klootschietende duivenmelkers tegenkomt!’ 
 
Voordat de tankinhoud van de bierfiets was uitgeput en de twee groepen gezamenlijk naar het dichtstbijzijnde café togen, waren Anna en Cor al doorgelopen. Ze hadden nog wel een biertje aangeboden gekregen maar daar beleefd voor bedankt.
  ‘Hier moet het ergens zijn’, zei Anna. ‘Daar ging oom Kees het liefst naartoe.’ Ze keek en tuurde met ingespannen blik in het rond. ‘Het is hier erg veranderd. Of mijn geheugen houdt me voor de gek.’ Ze zuchtte teleurgesteld. ‘Misschien moeten we maar terug… Hier is het! Loabultweg.’
  ‘Kun je het wel volhouden, ma?’
  ‘Ja, gaat prima. Ik ben geen oud wijf! Kom.’ Ze wandelden het geasfalteerde straatje in en na een paar honderd meter rechtsaf het Loabultpad op. De bomen boden aangename beschutting tegen de intense zonnewarmte.
  ‘Waarom kwam hij hier graag?’ wilde Cor weten. Anna hield haar wijsvinger tegen haar gesloten lippen.
  ‘Hier is de bron…’, fluisterde ze. ‘Dit is zo mooi. Kom, kom…’ Ze wenkte hem zoals de sprookjesheks onschuldige kinderen verleidt haar te volgen. ‘We zijn er bijna…’ Hij volgde zijn moeder willoos.
  ‘Waar zijn we bijna? Bij de bron?’ Cor fluisterde ook, maar kreeg geen antwoord. De stilte en de omgeving grepen hem aan. Dit oude land ademde een oerkracht die hij niet kende, maar hem wel langzaam in zijn greep kreeg. Achter een wal met ondoordringbare begroeiing leek een paard met hen mee te trippelen. Een veulen, dacht Cor te horen aan de lichte tred. Het voelde alsof hij zelf ook lichter werd, ontsteeg aan de zwaartekracht. Hij zag de frisse felle kleuren van het voorjaar opschieten uit de grond. Vooral de gele paardenbloemen staken fel af tegen het groen. Staken hem in de ogen. Reine vervoering over de schoonheid van deze plek en pure inspiratie die zijn fantasie de vrije geest gaf, welden in hem op, net als het water uit de grond voor hem. Is het hier? Sta ik hier, midden in dit sagenland, oog in oog met de mythologische paardenbron?
  ‘Hier ontspringt de beek’, zei Anna. Het was een ontnuchterende zin. Cor moest even tot zichzelf komen; op zijn eigen voeten landen. Anna drenkte een zakdoek in het vliesdunne koele water en depte er haar voorhoofd mee en ook dat van haar zoon. Ze liepen arm in arm verder en spraken niet meer tot ze via het Peulkespad en de Hanhofweg weer bij hun auto kwamen en naar De Lutte reden. 
 
In het dorp was het gezellig druk. Anna was moe, maar kon de korte afstand naar het terras nog wel aan. Alle tafels waren bezet.
  ‘Kom hier maar zitten!’ Het was Dorien, de receptioniste van het hotel. Ze wees naar de lege stoelen naast haar. ‘Ik wacht op mijn oom, maar hij is zoals altijd te laat.’ Moeder en zoon maakten dankbaar gebruik van haar gastvrijheid en bestelden thee.
  ‘Dus dat is een van de vele Plechelmuskerken in Twente’, zei Cor, wijzend naar de overkant van de straat. ‘En hij wordt goed bewaakt. Lijkt wel een monster!’
  ‘Dat is onze hellehond. Hij komt voor in oude volksverhalen’, zei Dorien. ‘Maar het beeld staat daar pas sinds 1973.’ Ze nipte aan haar rosé en lachte. ‘Vroeger noemden we het Tante Dien.’ Cor keek op bij het horen van die naam.
  ‘Tante Dien?’
  ‘Ze was eigenlijk mijn oma. Een moeilijke, veeleisende vrouw maar in haar hart heel lief en zorgzaam. Ook voor anderen, zonder dat iemand dat wist. Maar dat hoorden we pas toen ze overleden was.’
  ‘Waarom was ze zo?’
 ‘Ik denk door een leven lang keihard werken, armoede en een oorlog die jeugddromen vernietigde. Maar ze was sterk. Ze is bijna honderd jaar geworden! Een familietrek.’
  Cor vertelde dat zijn moeder in de oorlog in De Lutte ondergedoken had gezeten en wat Tante Dien voor haar had betekend.
  ‘Wat bijzonder! Klinkt echt als mijn oma’, zei Dorien een beetje aangedaan. ‘Maar ze heeft er nooit iets over verteld.’
  ‘Wist ze dat jullie het beeld zo noemden?’
  ‘Dat denk ik niet.’
  ‘Wat zou ze ervan gevonden hebben?’
  ‘Deze kardoes is gemodelleerd naar de Egyptische god Anubis, die waakt over zowel de levenden als de doden. Ze zou er misschien wel trots op zijn geweest.’ 
 
Anna had niet deelgenomen aan het gesprek en staarde al een tijdje naar een hoogbejaarde man die zijn fiets tegen een boom had gezet en de straat overstak.
  ‘Wat is er, ma?’
  ‘Ik kan het niet geloven, Cor. Dat is… dat is Harold.’ Dorien stond op en kuste de oude man die naar hun tafeltje was komen lopen.
  ‘Hoi, oom Nelis.’ 
 
Cor zat aan een biertje en Anna dronk een zoete witte wijn. Het was behaaglijk op het terras van het hotel. ‘Vind jij dat oom Kees een held is, ma?’ Anna lachte met gesloten mond naar hem en dacht na. Door haar houding: handen gevouwen en schuin omhoog in de lucht starend zonder te kijken, wist Cor wat er ging komen. Ze zou niet antwoorden met een modern digitaal ja of nee, maar onderbouwd naar een opinie werken. Samen met hem een mening formuleren. Wat kon ze hem met haar wijsheid nog altijd emotioneren!
  ‘Zijn we onderweg naar het oosten langs Barneveld gekomen?’ Dat was een retorische vraag, want de topografische kennis van zijn moeder was meer dan uitstekend. In de jaren dat ze nog samen op vakantie gingen of als ze uitstapjes maakten, reed ze zonder enig hulpmiddel naar alle historische plekken in Nederland. Cor antwoordde niet maar anticipeerde, zoals ze van hem verwachtte. Omdat ze dat leuk vond.
  ‘Jan van Schaffelaar.’
  ‘Juist.’ Anna sloeg een licht docerende toon aan. ‘Je weet dat de Hoekse en Kabeljauwse twisten hun oorsprong hadden in een opvolgingsstrijd in het Graafschap Holland.’ Dit was een retorische stelling en Cor reageerde niet. Dat werd ook niet van hem verwacht. ‘Van Schaffelaar was een Kabeljauwse ruiteraanvoerder die, belegerd door de Hoeken, in 1482 van de toren van de Oude Kerk in Barneveld sprong om zijn metgezellen te redden. Dat verhaal kennen we allemaal en zijn daad van zelfopoffering was de aanleiding voor zijn heldenstatus.’
  ‘Het is ook niet niks’, zei Cor.
  ‘Is het ook niet’, zei Anna. ‘Zij het dat de poging mislukte en de Hoeken hem op de grond alsnog doodsloegen.’ Ze pauzeerde even om Cor de gelegenheid te geven die aanvulling te verwerken. ‘Denk je niet dat dit detail afbreuk zou doen aan de legendevorming?’
  ‘Ja, ongetwijfeld. Daar werd dus maar niet meer over gesproken’, zei Cor. Anna knikte. ‘Maar wat heeft dat met oom Kees te maken?’ Een keurige stagiair bracht nog een biertje en voor Anna een glas water voor bij de wijn.
  ‘Tante Dien was gewoon tante Dien, dat heb je vanmiddag gehoord. Maar oom Kees heette niet echt oom Kees. Dat heb je ook gehoord. Oom Kees was een eh… Hoe noem je dat?’
  ‘Een artiestennaam?’ Anna reageerde een beetje boos.
  ‘Nee, geen artiestennaam. Wat heb ik nou net verteld over Van Schaffelaar?’ Haar analyse dat heldendom vaker het gevolg is van perceptie dan van kennis over daadwerkelijke gebeurtenissen, deelde hij wel. Maar de connectie tussen Jan en Kees ontging Cor nog. ‘Het was een schuilnaam! De echte oom Kees was in onze tachtigjarige onafhankelijkheidsoorlog een ingenieur aan de zijde van Frederik Hendrik en Ernst Casimir. Bij het beleg van Oldenzaal in 1626 zorgde hij ervoor dat de stadsgracht leegliep, waardoor de Staatse troepen gemakkelijk de stad binnen konden vallen en de Spanjaarden eruit jagen.’
  ‘Nooit van gehoord’, moest Cor erkennen. ‘Waarom kennen we die oom Kees niet als nationale held?’
  ‘Omdat hij er een was, jongen.’
  Anna keek haar zoon glunderend aan. Cor kreeg tranen in zijn ogen door de lieve voormalig lerares geschiedenis, die haar geheugen begon kwijt te raken. 
 
Ze waren blijven zitten op het terras, bij Dorien en haar oom Nelis. Hij was inmiddels ver over de negentig. Nelis’ moeder, Dien, had niet voor een schuilnaam gekozen. Hij wel. Nelis kende het verhaal van de piloot. Hij was met Cor over de begraafplaats, achter de hellehond, gelopen, naar een simpel maar goed onderhouden kruis. "Flight Sergeant Harold St. James 1924-1944”, las Cor. Harold was niet van Hannover gekomen, maar op weg ernaartoe. De volle kist was na een beschieting net over de grens neergestort en Harold had eruit kunnen springen, maar werd geraakt door mitrailleurkogels. Ze hadden hem nauwelijks nog levend gevonden en dagenlang verpleegd. Met zijn allen. Maar ze hadden de strijd verloren. Ontdaan waren ze geweest, verbijsterd. Allemaal. Het had zijn moeder erg veranderd. Ze werd harder, een vechter, want ze kon het beeld van een verloren jong leven niet uit haar hoofd krijgen. Ze verweet zichzelf zijn dood.
  Cor dacht aan zijn eigen moeder. Het was moeilijk een voorstelling te maken van een leven als verschoppeling, die onzichtbaar meeloopt met mensen in een andere wereld. Met gevaar voor eigen leven. En wat al die indrukken in een warrige, bedreigende en genadeloze tijd deden met een meisje op een ontvankelijke leeftijd. Ze had in haar hart Harold in leven gehouden, niet voor zichzelf maar omdat ze de liefde wilde laten overleven. De liefde die haar in leven had gehouden, het leven had gered en leven gegeven.
  Het had Cor aanvankelijk verbaasd dat zijn moeder zoveel wist van de streek, maar nu wist hij waarom. Bewondering had hij voor de kracht die ze had getoond om terug te keren naar de plek waar oom Kees zo graag met haar kwam. De bron van de beek, hun bron van vervoering en inspiratie. Zijn levensbron.
  Sommige vragen bleven onbeantwoord. "Vader onbekend” stond er al achtenvijftig jaar in zijn doopceel en hij had er vrede mee. Hoe veilig wil je zijn! 
 
Cor en Anna liepen een rondje om het hotel omdat ze twee uur in de auto moesten zitten. Een grote man stond in het hoge gras en keek naar de beek. De goedgevulde stroom voerde het regenwater van Koningsdag in hoog tempo af.
  ‘Waar komt hij eigenlijk in uit?’
  ‘In de Dinkel’, zei de eigenaar van het hotel. Hij was daar vaak te vinden, omdat hij eindeloos kon kijken naar het water dat zo onverstoorbaar, bijna onverschillig, zijn loop nam. ‘En via de Overijsselse Vecht en het IJsselmeer uiteindelijk in zee.’
  ‘Wij gaan die kant nu ook weer op’, zei Anna en gaf de vriendelijke man een hand. Dorien had dienst en liep mee naar buiten om ze uit te zwaaien.
  ‘Hier links en dan zijn jullie zo op de snelweg.’ Cor ging rechtsaf, richting Beuningen om een nog openstaande wens te vervullen. Het had van Anna niet gehoeven, maar Cor wilde dat graag. Niets overslaan. Ze reden de oude smalle Populierendijk helemaal af. Dat mocht weliswaar niet, maar hij besloot bestemmingsverkeer te zijn. Lotsbestemming. Ze kwamen uit op de Hanhofweg, dicht bij hun bron. Het had inderdaad niet gehoeven. Maar het was er mooi. Dat vergoedde veel. En het was er gevuld met mooie en waardevolle herinneringen. Dat vergoedde alles. Cor zette de auto aan de kant en plukte er een natuurboeket. Ze reden daarna het dorp in en stapten nog een keer uit voor ze op weg gingen naar huis.
  ‘Daar horen ze’, wees Anna en Cor legde de wilde bloemen op de poten van de bronzen hond.  
 
‘Wat bedoelde je met dat ik met te weinig tevreden ben?’ Cor kon die opmerking van zijn moeder op de braderie in Denekamp maar niet uit zijn hoofd krijgen. Hij startte de auto.
  ‘Jij bent een denker, Cor. Geen doener. Gaat niet tot het uiterste. Vecht niet.’
  ‘Dat hoeft ook niet, ma. Dat heb jij al gedaan. Voor mij.’ Anna keek nog een keer om en liet het groene land langzaam opgaan in haar eigen geschiedenis.   
 
© R.Th.M. Beernink