HEILIGENSCHIJN – door Robert Beernink  
 
In elk willekeurig blok marmer zit een wonderschoon beeld verborgen. Het is de kunst de overtollige steen te verwijderen …
Alles wat er is, is er. De mens voegt daar niets aan toe, noch neemt hij er iets van weg …
Wat aan de rand van het leven wordt gewonnen, wordt aan de binnenzijde van het bestaan verloren ...
 
Die gedachten schieten Diederick Schep door het hoofd tij­dens de begrafenis van zijn moeder. Didi is enig kind en net een week dertig op de dag dat zijn moeder naast haar echtgenoot in het familiegraf wordt bijgezet. Het is een schitterende en warme dag. De zon staat hoog aan de hemel en de geluiden van de stad in de zomer dringen door tot de begraafplaats.
  De overwegingen over de grenzen van wat mensen kunnen, weten en zijn komen op als Didi tijdens de wandeltocht over het kerkhof, van de auto naar het graf, de grafstenen die hij links en rechts passeert bestudeert.
  De dragers van de kist lopen pal voor hem. Achter Didi heeft zich een enorme stoet mensen gevormd die hij niet kent. Zijn ouders waren zeer gerespecteerde wetenschap­pers en het is in die kringen gebruikelijk dat, in elk geval direct na het overlij­den van een collega, de academische loftrompet schalt en niet de polemiek de boventoon voert. Dat inte­resseert Didi niet.  
 
Het verlies van zijn lieve moeder was een verlossing uit een vreselijk lijden, voor haar en zeker ook voor hem. Het felle zonlicht op de grafstenen doet hem pijn aan de ogen en hij kijkt daarom naar de schaduwen van de stenen in het gras. Aanvankelijk ziet hij niets bijzonders. Dan merkt hij iets op dat hij niet direct kan thuisbrengen. Staande voor het donkere, gapende graf van zijn moeder weet hij wat het is. Eerst denkt hij aan een illusie, veroorzaakt doordat hij een poos intensief naar de fel verlichte grafstenen heeft gekeken. Nu hij bij het graf staat en iemand het verzamelde publiek in onbe­grijpelijke bewoordingen toespreekt, kijkt Didi weer rond en ziet dat het geen inbeelding was. De felle zon veroor­zaakt scherp afgetekende schadu­wen van de grafstenen in het gras. Het valt hem op dat aan de randen van al die schaduwen de groene kleur van het gras feller, helderder lijkt dan op plekken die verder verwijderd liggen van de scha­duwen. Alsof er een lichtkrans om de schaduwen schijnt.
  Didi neemt het in zich op, laat het indalen en zijn heldere geest begint onwillekeurig en ongeleid aan een denkexpeditie. Didi bezit een analytische en open denk­wijze die mede te danken is aan de invloed van zijn academisch ge­schoolde ouders. Voor hem is niets te gek, hij kent geen taboes en maakt geen uitzonderingen. Hij ziet daar op de grond een schaduw die door een soort gloed wordt omringd. Aan het object waarvan de scha­duw is afgeleid is niets speciaals of bij­zonders te zien. Die schaduw intrigeert Didi. Langs de rand ervan manifesteert zich een aura, maar van het object zelf is niets te zien, behalve zijn contouren. De schaduw geeft de vorm weer maar niet het opschrift of de kleur. Als de schaduw de uitstraling heeft van de vorm van het object, die zelf geen uit­stra­ling heeft maar wel de kleur, het opschrift, de inhoud, is het dan zo dat de grenzen van de vorm afgebakend zijn en de inhoud bij overschrijding van de vorm verloren gaat?
  Didi moet even slikken, want het gaat zelfs voor hem wat te snel. Even terug. Didi wil weer in het diepe springen als hij opschrikt uit zijn mijmering. De doodgraver port hem discreet in de zij en wenkt met zijn hoofd naar de diepte voor hem. Didi kijkt op en ziet dat de menigte hem zwijgend aanstaart. In de ogen van de meesten leest hij medeleven, in enkele verdriet en in sommige desinteresse. De kraai geeft hem een kleine schep en Didi begrijpt wat er van hem wordt verlangd. Als enige directe nakomeling moet hij als eerste wat zwarte aarde op de donkerbruine kist gooien daar in die diepte voor hem. Hij heeft niet eens gemerkt dat de zware eiken kist al is neergelaten in het gat. Het zand valt met een dof geluid op het hout. De laatste roffel voor zijn moeder. Velen volgen zijn voorbeeld, maar dan is Didi al weg.  
 
Het lijkt alsof het donkere geluid van het vallende zand hem pas goed heeft doordrongen van het onomkeerbare feit dat zijn moeder er niet meer is. Op het moment dat als hij zich intellectueel in een vrije glijvlucht wil begeven, valt de grond te pletter op zijn moeder om haar voor altijd te bedelven. Het is allemaal zo tegenstrijdig. Hij is toe aan een lange rustige wandeling. De anderen laat hij hun gang gaan; hij heeft geen boodschap aan de slappe zwarte koffie en de kleffe cake van de rouwkamers. Na afloop zal er ongetwijfeld nog een stel blijven hangen of de lokale horeca aflopen om zich vol te gieten in verdriet. Didi vindt het best; zijn ouders hebben dat ook gedaan in het verleden. Wetenschappers drinken graag op de ultieme overwinning op het leven.
  Proost! denkt Didi en ziet ze zitten op de hete terrassen van de levende stad. Hij wil alleen zijn en loopt over het immense kerkhof waar het altijd wel ergens koel is. Zijn gedachten zijn bij zijn moeder en tranen wellen op. De kleine, frêle vrouw was een hele grote op haar vakgebied. Barbra Blits kwam uit een vooraanstaande familie met wortels in het Duitse Saarland. In afwijking van veel van haar seksegenoten, maar in navolging van veel grote Duitsers, was zij exacte wetenschappen gaan studeren in Heidelberg. Natuurkunde en vooral scheikun­de waren haar specialismen geworden. Enkele jaren bracht ze op Duitse Hochschulen studenten de basiskennis van deze vakken bij. Na haar huwelijk met Ferdinand Schep vestigde het echtpaar zich in de stad. Daar kreeg ze na drie jaar aan de universiteit een aanstelling als wetenschappelijk medewerker op de natuur- en scheikundefaculteit. Onder leiding van hooggeleerde heren droeg ze bij aan diepgaande onderzoe­ken naar atomen. Al gauw viel de professoren haar eminente intelligentie op. Dat viel des temeer op omdat zij de enige vrouw in het onderzoeksteam was in een academische wereld die overwegend door mannen werd gedomineerd.
  Na negen jaar als medewerker aan onderzoek en onderwijs te hebben gewerkt werd Barbra Schep-Blits benoemd tot lector. Zij mocht een eigen onderzoek gaan leiden dat een onderdeel was van een groter project in de nog immer vrijwel onbekende wereld van de kleinste deeltjes. Dit was een grote stap voorwaarts die haar de mogelijkheid zou bieden onderzoek te doen op een geheel nieuw en door haarzelf ontwikkeld gebied. Barbra Schep was gefascineerd door de mogelijkheden die de in de atomen verborgen krachten zouden kunnen bieden. Het ging niet om concrete invulling; daarvoor was haar denken te abstract en vond ze praktische toepassingen een logisch gevolg van onderzoek. In haar beginjaren als onderzoeker had ze zowel de atoomsplitsing als de atoomfusie bestudeerd en was ze diep onder de indruk geraakt van de energie die uit beide technieken vrij kon komen. Probleem bij atoomsplitsing bleek de beheersbaarheid, het in de hand kunnen houden van de kettingreactie van op elkaar botsende deeltjes. Bij de atoomfusie was de mate van energie die nodig was om fusie te bewerkstelligen zodanig dat er meer energie nodig was om de fusie te doen plaatsvinden dan de hoeveelheid energie die eruit vrijkwam. Bij fusie was het probleem van de beheersbaarheid er niet.
  De waarheid zou ergens in het midden liggen. Dat was haar overtuiging en aanleiding een onderzoek te starten naar een alternatieve methode: atoomschamping. De theorie achter deze methode was in de kern simpel. In plaats van een atoomkern te splitsen of met een andere atoomkern te laten samensmelten, wilde Barbra Schep het atoom in onbalans brengen door elektronen langs de kern te laten scheren en deze zodanig te schampen dat er een heel klein deel van af zou schuren en het hele atoom daardoor in onbalans zou vervallen: massa zou dan niet meer in de juiste verhouding staan tot de bestaande elektronenbanen. Een voorbeeld dat Barbra Schep vaak gebruikte om het uit te leggen ging over water. Iedereen kent de samenstelling, het molecuul, van water: H2O, twee waterstofatomen en één zuur­stofatoom. Wat gebeurt er als de elektronen van een ander watermolecuul één van de waterstofatoomkernen of de zuurstofatoomkern in een ander watermolecuul beschadigt? Volgens de theorie zouden de elektronen om de beschadigde atoomkern een andere verhouding aannemen, andere banen gaan kiezen. Wat zou dan het gevolg zijn? Dat te weten komen, was het doel van het onderzoek. Eén van haar studenten voorspelde dat één in onbalans gebracht waterstofatoom in theorie een enorme vloedgolf over de hele wereld zou kunnen veroorzaken. Barbra Schep vond dat een romantisch idee, meer niet.
  Het onderzoek was theoretisch zeer goed onderbouwd, in het laboratorium echter moeilijk uit te voeren. Daarbij kwam dat toen de eerste resultaten zichtbaar werden, bij Barbra Schep de eerste symptomen van een slepende ziekte zich begonnen te manifesteren. In haar lichaam was een kettingreactie begonnen; cellen begonnen zich ongebreideld te delen en veroorzaakten steeds meer helse pijnen. Vanuit haar borsten verspreidde de ziekte zich naar baarmoeder en longen. Ondanks de moeilijke persoonlijke omstandigheden bleef Barbra Schep onvermoeibaar naar het laboratorium komen. Inmiddels was op andere onderzoekscentra ontdekt dat de atomen niet de kleinste deeltjes waren. Het fenomeen van de quarks, de materie waaruit atomen zijn opgebouwd, boeide Barbra enorm. Ze dacht dat het, op grond van haar theorie, mogelijk moest zijn quarks uit het atoom te schampen en de basis van alle stof te isoleren. Ze wilde het fundament van alle stof vinden maar slaagde daarin niet. De kanker had een weg gevonden naar haar botten en zij was zeer snel daarna niet meer in staat haar lichaam haar wil op te leggen. Alleen theorie kon zij nog toevoegen aan het onderzoek maar dat was voor haar te weinig. Ze was een echt bètamens, een onderzoeker en doener, geen theoreticus.
  Hoe meer haar kennis zich opbouwde, hoe leger haar lichaam van binnenuit werd. Dat dacht Didi vaak. Toen lag Barbra Schep al op sterven. Ze liet een onderzoeksteam in verwarring na. Ze konden niets zonder haar intellectuele inbreng. Nog voor Barbra na een vreselijk pijnlijk lijden stierf, was het onderzoek beëindigd, zonder praktisch resultaat, zonder erfenis.

Didi schrikt op als iemand zijn hand vastpakt. Voor hem staat een oudtante. Zij is geheel in zwart gekleed en heeft een wit, betraand gezicht. Didi staat achter een tafel vol koffie en cake en achter zijn oudtante staat een hele rij mensen die hem een hand willen geven. Hij staat even perplex. Het laatste dat Didi zich herinnert van zijn omgeving is de rustieke parkachtige omgeving van de begraafplaats waar hij rust zocht. Nu staat hij toch in de rouwkamer en moet alle blijken van medeleven aanhoren.
  Hand na hand komt langs. Didi hoort niet wat de mensen, allen licht voorover gebogen over de zware eiken tafel, hem toevoegen. Hij heeft geen oor voor clichés, vermoedt dat de meesten wel menen wat zij zeggen en daar is hij blij mee. Verderop in de rij achter de oudtante staat een oud-collega van Didi’s vader, die hij goed kent en best aardig vindt, behalve dan dat hij zich ten onrechte met "oom" laat aanspreken. De plotselinge associatie met zijn vader brengt Didi naar een heel ander deel van zijn geheugen. De oom in de rij heeft lange tijd met zijn vader samengewerkt in het ziekenhuis. Dokter Ferdinand Schep kwam uit een middenstandsmilieu uit Gelderland. Door harde arbeid - "zich dood te werken," zei dokter Schep - waren zijn ouders in staat geweest een universitaire studie te bekostigen voor hun enige zoon. Hoewel van huis uit de eerste keus een ambt in het religieuze leven was, waren Didi's grootouders toch zeer content met de studie die hun zoon uiteindelijk succesvol afrondde: Ferdinand Schep studeer­de af als huisarts.
  Ook van een arts kruipt het bloed waar het niet gaan kan. Zijn inwendige stem volgend, ging Schep na negen jaar als huisarts te hebben gewerkt en tot grote spijt van zijn patiënten, terug naar de universiteit om zich verder te specialise­ren. Schep was zeer intelligent en wilde aan de rand van de kennis zitten, die kennis uitbreiden en zich ten dienste van de doodzieke medemensen stellen. Meer gevoelsmatig dan beredeneerd ging zijn voorkeur voor een specialisatie uit naar het hart, het kloppende centrum van het lichaam, het leven. In de hersenen lag eigenlijk zijn belangstelling maar daar was naar zijn mening te weinig over bekend om praktiserend genezend op te kunnen treden. Hij specialiseerde zich vijf jaar lang en begon in de stad een goed lopende praktijk als internist met een aparte specialisatie voor hart en vaten. Tijdens zijn tweede verblijf op de universiteit ontmoette hij de grote liefde van zijn leven die ook zijn hele leven zou duren: Barbra Blits. De natuur- en scheikundige gaf, in het eerste jaar van Scheps specialisatie, een aantal gastcolleges voor postdoctoraal studenten. De wederzijdse grote liefde werd binnen een jaar beklonken in een stilgehouden huwelijk en bijna nog een jaar later gezegend met een zoon: Diederick, roepnaam Didi. Ferdinand Schep werkte hard; het belang van zijn patiënten ging altijd boven en voor elk ander belang. Hij werd een specialist, "in hart en nieren" zoals hijzelf soms schertsend zei, die veel respect bij zijn collega's en grote populariteit bij zijn patiënten verwierf. Hij deed veel onderzoek en droeg in kleine beetjes veel bij aan de kennis over de inwendige organen van de mens. Extra triest vond Didi het dat hij in de bloei van zijn leven door een verlamming in één van die organen, zijn geliefde hart, zomaar weg was.
 
Een hard en doordringend geluid doet Didi uit zijn herinnerin­gen ontwaken. Een dichtslaande deur. Hij voelt een zeurende pijn in zijn rechterhand. De hand is gezwollen en rond zijn zegelring zit een rode striem. Hij moet veel handen krachtig hebben geschud. Hij kijkt om zich heen, ziet niemand. De klap van de deur heeft de laatste bezoeker op de begrafenis van zijn moeder bij zijn vertrek begeleid. Iedereen is weg. Door het raam schijnt een laaghangende zon schuin naar binnen. Didi knijpt zijn ogen door het felle licht tot spleetjes. Achter hem, op de witte muur, is een grote schaduw te zien, een surreali­stische groteske afdruk van zijn kleine postuur. Verder niets. Diederick Schep voelt zich alleen. Alleen met zijn schaduw. Door zijn half gesloten ogen is zijn gezichtsveld beperkt. Het bevalt hem op de een of andere wijze. Hij voelt zich nog niet in staat de hele wereld aan te kijken. De wereld die hij nu zonder zijn moeder aan moet. Altijd was zij er voor hem en als zij er niet was dan was zijn vader er. Hij weet dat hij uit liefde is geboren. Uit de liefde van twee eminente wetenschappers die tegen elkaar soms zo vreselijk puberaal dom deden. Dat dom doen, weet de postpuberale Didi nu, was gewoon het doen en laten van verliefden. Ze deden soms zo omdat ze altijd verliefd waren gebleven en elkaar niet kwijt wilden raken; ze wilden zichzelf beschermen tegen het verlies van de ander. Hoe moeilijk had zijn moeder het verlies van haar man niet kunnen verwerken? De man die uit liefde voor zijn vak, als gevolg van het grote hart voor zijn zaak, aan datzelfde hart ten onder was gegaan. Hij had zijn hart dubbel geëxploiteerd.
  Barbara was het verlies eigenlijk nooit te boven gekomen. Die onrust die bezit van haar nam na zijn vroegtijdige dood had haar opgejaagd. Haar geest en lichaam haastte ze voort in haar onderzoek aan de randen van de materie, alsof ze iets af moest maken, alsof er een deadline was. Die was bereikt toen de stress in de informatiestromen van haar lichaam terechtkwam en haar eigen cellen tot eenzelfde spoed zich te delen aanwakkerde.
  Didi doet één oog dicht. Zelfs een kwart van zijn gezichtsveld is nog teveel. Er is te veel licht. De zon zakt langzaam. Hij zou moeten gaan. Misschien staat nog een groep buiten te wachten op hun beurt om een dode te betreuren. Hij zou naar huis moeten gaan. Naar dat grote herenhuis in een chique wijk van de stad. Dat immense lege huis waar hij zijn blijde jeugd heeft doorgebracht, alleen en met vriendjes. De ouders van die vriendjes vonden het geweldig dat hun zoon met de zoon van het echtpaar Schep-Blits speelde. Dan telden ze mee in de stad. Voor dat soort dingen hadden vader en moeder Schep geen oog of oor. Soms speelden ze gewoon mee als boef of heks of fee.
  Didi sluit zijn ogen. Niets kunnen zien lijkt hem beter nu. Vanuit de diepte van zijn geheugen komen taferelen en beelden naar boven uit zijn jeugd. Hij concentreert zich diep en kan behalve de beelden ook de geluiden horen en de geuren die daar onlosmakelijk mee verbonden zijn, ruiken. Het pastel geverfde huis met zijn nestgeur, de elektrische trein, de pannenkoeken, liggen in het gras, bloemen plukken, paardrijden, voetballen. Beeld na beeld, geluid na geluid en geur na geur gaan door zijn hoofd. Zijn bed, zijn knuffels, de muffe zolder, het frisse park, de stoffige school, het warme Frankrijk, de leren autobekleding, de ontsmette praktijkruimte van zijn vader, zijn onverwonde maar opgebruikte lichaam, de gillende pijn van zijn moeder, de geur van haar dood.
  Didi opent zijn ogen, ziet niets. Open of dicht maakt geen verschil meer. De zon is verdwenen, het is donker geworden. De schaduwen zijn verdwenen. De uit marmer gehouwen beelden van zijn herinnerin­gen zijn weer blokken steen. En in die blokken zijn de beelden verdwenen. Diederick Schep voelt zich hol. Alleen in de schaduw van zijn ouders. 
 
© R.Th.M. Beernink